Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP9398

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10/00540
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9398
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 353 Sv, beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen. De bestreden uitspraak houdt geen beslissing in omtrent één van de inbeslaggenomen voorwerpen, terwijl de beslissing omtrent de overige voorwerpen niet kan gelden als een beslissing in de zin van art. 353 Sv. De omstandigheid dat inbeslaggenomen voorwerpen als stukken van overtuiging in het dossier zijn gevoegd, brengt niet mee dat t.a.v. die voorwerpen geen beslissing a.b.i. art. 353 Sv is vereist. De HR merkt op dat art. 353 Sv slechts ziet op voorwerpen die in de zaak van verdachte - en dus niet in die van een medeverdachte - in beslag zijn genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1153
NJ 2011/434
NJB 2011/1831
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2011

Strafkamer

nr. 10/00540

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 januari 2010, nummer 22/000331-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep, met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 14 december 2007, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 4 tenlastegelegde en hem ter zake van 2. "mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" en 3. (de Hoge Raad leest:) "medeplegen van opzettelijk mondeling, bij geschrift of bij afbeelding zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om, naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen voorwerpen als nader in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. C.W. Noorduyn en mr. Th.J. Kelder, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde over het lot van de inbeslaggenomen voorwerpen opnieuw te beslissen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het achtste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de beslissingen van het Hof over de voorwerpen, inbeslaggenomen onder de nummers 2, 10, 11, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 22 in strijd zijn met art. 353, eerste lid, Sv en dat het Hof ten aanzien van het voorwerp, inbeslaggenomen onder nummer 21 in strijd met die bepaling een beslissing achterwege heeft gelaten.

3.2. Art. 353 Sv - dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - luidt, voor zover hier van belang:

"1. In het geval van (...) van oplegging van straf of maatregel (...) neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351,

a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;

b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of

c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende."

3.3. Het Hof heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen als volgt overwogen en beslist:

"Ter zake van de overige op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen voorkomende voorwerpen, te weten onder nummers 2, 10, 11, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 22, overweegt het hof als volgt. Nu deze voorwerpen deel uitmaken van het onderhavige strafdossier (dan wel van het strafdossier van een medeverdachte) dienen deze voorwerpen in het belang van de strafrechtelijke procedure door de autoriteiten bewaard te worden, op de wijze zoals het overige deel van het strafdossier ook zal worden bewaard."

3.4. De bestreden uitspraak houdt geen beslissing in omtrent het onder nummer 21 inbeslaggenomen voorwerp, terwijl de beslissing van het Hof omtrent de "overige (...) voorwerpen" niet kan gelden als een beslissing in de zin van art. 353 Sv. Voor zover het Hof bij laatstgenoemde beslissing ervan is uitgegaan dat de omstandigheid dat inbeslaggenomen voorwerpen in de loop van de procedure als stukken van overtuiging in het dossier zijn gevoegd, meebrengt dat ten aanzien van die voorwerpen geen beslissing als bedoeld in art. 353 Sv is vereist, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Opmerking verdient ten slotte dat art. 353 Sv slechts ziet op voorwerpen die in de zaak van de verdachte - en dus niet in die van een medeverdachte - in beslag zijn genomen.

3.5. Het middel treft doel.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp onder beslagnummer 21 en wat betreft de beslissing van het Hof ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen onder de beslagnummers 2, 10, 11, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 22;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 september 2011.