Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP8953

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10/00115
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BM3520, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kapitaalsbelasting. Art. 32 Wet BRV. Uitgifte van gewone aandelen ten behoeve van de financiering van de inkoop van preferente aandelen is onderworpen aan de heffing van kapitaalsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/18.19 met annotatie van Redactie
BNB 2011/146 met annotatie van
FutD 2011-0711
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/00115

25 maart 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 februari 2010, nr. 08/00586, betreffende naheffingsaanslagen in de kapitaalsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende zijn twee naheffingsaanslagen in de kapitaalsbelasting opgelegd, welke naheffingsaanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/1165) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 23 februari 2005 heeft belanghebbende bij persbericht aangekondigd voornemens te zijn om de door haar uitgegeven preferente aandelen C, welke alle in handen waren van twee investeringsmaatschappijen, in te kopen. Voor deze inkoop was een bedrag van in totaal USD 520.000.000 benodigd.

3.1.2. Ten behoeve van de financiering van de hiervoor in 3.1.1 genoemde inkoop (hierna: de inkoop) heeft belanghebbende, naast het aangaan van een obligatielening van € 150.000.000 en het benutten van liquide middelen, voor een bedrag van € 250.423.198 aan gewone aandelen uitgegeven (hierna: de aandelenemissie).

3.1.3. De inkoop zou alleen plaatsvinden als vooraf duidelijk zou zijn dat de hiervoor in 3.1.2 genoemde transacties tot de beoogde bedragen zouden slagen en de financiering van de inkoop derhalve vooraf zeker gesteld was. De verstrekking van de obligatielening was bovendien afhankelijk van het welslagen van de aandelenemissie en andersom. Zou één van de transacties niet slagen, dan zouden de andere transacties, evenals de inkoop, geen doorgang vinden dan wel ongedaan worden gemaakt. Geen van die omstandigheden heeft zich echter voorgedaan. De uitgifte van de obligatielening heeft plaatsgevonden op 2 maart 2005 en de aandelenemissie is op 31 maart 2005 geëffectueerd. Daarna heeft de inkoop plaatsgevonden.

3.1.4. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd ter zake van het bijeenbrengen van het hiervoor in 3.1.2 genoemde bedrag van € 250.423.198.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van versterking van het economische potentieel van belanghebbende als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 69/335/EG van de Raad. Hiertegen richten zich de middelen.

3.3.1. Middel 1 en middel 2 betogen in de kern genomen dat het Hof heeft miskend dat tussen de aandelenemissie en de inkoop een samenhang bestaat die dermate noodzakelijk, sterk, nauw en groot is, dat geen sprake is van versterking van het economische potentieel van belanghebbende.

3.3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - onderschreven het oordeel van de Rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat het door de aandelenemissie beschikbaar gekomen kapitaal nagenoeg onmiddellijk na de aandelenemissie volledig is aangewend voor de inkoop van de preferente aandelen C en dat sprake is van een zeker verband tussen de aandelenemissie en de inkoop.

Vervolgens heeft het Hof in navolging van de Rechtbank geoordeeld dat de samenhang tussen de aandelenemissie en de inkoop niet wegneemt dat het eigen vermogen van belanghebbende op enig moment is toegenomen en dat het bijeengebrachte kapitaal ook op enig moment, hoe kort ook, aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Hiervan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat sprake is van versterking van het economische potentieel van belanghebbende. De hiervoor in 3.1.3 geschetste omstandigheden staan daaraan niet in de weg. De middelen 1 en 2 falen derhalve.

3.4. Het Hof heeft in de onderdelen 4.3 en 4.4 van de bestreden uitspraak, in aanvulling op de door het Hof onderschreven oordelen van de Rechtbank zoals hiervoor in 3.3.2 weergegeven, overwogen - samengevat - dat in het midden kan blijven of er voldoende samenhang bestond tussen de aandelenemissie en de inkoop.

Nu de hiervoor in 3.3.2, eerste en tweede alinea, weergegeven oordelen 's Hofs oordeel dat sprake is van versterking van het economische potentieel van belanghebbende zelfstandig dragen, moeten de aanvullende overwegingen in de onderdelen 4.3 en 4.4 van de bestreden uitspraak worden beschouwd als ten overvloede gegeven. De middelen 4 en 5, die zich richten tegen deze aanvullende overwegingen, kunnen derhalve niet leiden tot weerlegging van 's Hofs oordeel dat sprake is van versterking van het economische potentieel van belanghebbende.

3.5. Midddel 3 beroept zich op de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal, waarmee kennelijk gedoeld wordt op het arrest van 12 maart 1997, nr. 29479, LJN AA2140, BNB 1997/200. In dit arrest is overwogen dat door een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal ingekochte aandelen voor de heffing van de kapitaalsbelasting blijven bestaan zolang geen besluit tot intrekking heeft plaatsgevonden, en dat die aandelen tot dat tijdstip dan ook weer kunnen worden verkocht zonder dat dit tot heffing van kapitaalsbelasting aanleiding geeft. In het in dat arrest besliste geval bestond derhalve geen reden om hetgeen civielrechtelijk was aan te merken als koopprijs van (eigen) aandelen, voor de heffing van kapitaalsbelasting aan te merken als bijeengebracht aandelenkapitaal. Anders dan in het genoemde arrest is in het thans te berechten geval sprake van bijeengebracht aandelenkapitaal in civielrechtelijke zin, waardoor dit geval veeleer te vergelijken is met de situatie waarin ingetrokken aandelen worden heruitgegeven. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.