Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP8693

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
10/00261
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP8693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Een verzoek een met schending van het beginsel van hoor en wederhoor gegeven beslissing te herstellen door die terug te nemen of te herzien valt niet binnen het bereik van art. 31 Rv. Als zonder behoorlijke oproeping van de curator, op de voet van art. 27 F. wordt beslist tot verval van instantie, welke beslissing de positie van curator en boedel rechtstreeks raakt, levert dit een (niet in een verzetprocedure herstelbaar) processueel verzuim op dat rechtstreeks de toegang tot de rechter raakt. Onder deze omstandigheden leidt onverkorte toepassing van de regeling inzake de termijn voor hoger beroep tegen de verlening van ontslag van instantie tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Ingevolge art. 6 EVRM dient de termijn voor hoger beroep tegen de desbetreffende rolbeslissing in een geval als het onderhavige, indien die termijn is verstreken op het moment waarop de curator van die beslissing kennis neemt, met veertien dagen te worden verlengd. Nu eerst met dit arrest duidelijk wordt welke weg gevolgd had moeten worden, neemt deze termijn van veertien dagen (in dit geval) pas een dag na de datum van deze uitspraak een aanvang.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 27
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 1180
RvdW 2011/678
RI 2011/80
NJ 2012/625 met annotatie van H.J. Snijders
JWB 2011/280
JBPR 2012/3 met annotatie van mr. F.J.H. Hovens
JOR 2011/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 mei 2011

Eerste Kamer

10/00261

DV/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. mr. Sebastiaan Maarten Maria VAN DOOREN,

kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

2. mr. Geurt TE BIESEBEEK,

kantoorhoudende te Budel,

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van [A] B.V.,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

VECO LASCONSTRUCTIES V.O.F.,

gevestigd te Oirschot,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curatoren en Veco.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het tussenvonnis in de zaak 83571/HA ZA 02-1318 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 november 2004;

b. de rolbeslissingen in de zaak 83571/HA ZA 02-1318 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 december 2004 en 11 juni 2008;

c. het arrest in de zaak HD 200.017.289 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de curatoren beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Veco is verstek verleend.

De zaak is voor de curatoren toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het hof van 6 oktober 2009 en de rolbeslissingen van de rechtbank van 29 december 2004 en 11 juni 2008 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank voor voortprocederen.

De advocaat van de curatoren heeft bij brief van 24 maart 2011 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [A] B.V. (hierna: [A]) heeft facturen van Veco ter zake van door Veco in 2001 verrichte werkzaamheden voor een deel onbetaald gelaten, waarna Veco voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch veroordeling van [A] heeft gevorderd tot betaling van een bedrag van € 58.581,73, te vermeerderen met rente en kosten.

(ii) In die procedure heeft [A] verweer gevoerd en harerzijds, op grond van toerekenbare tekortkoming door Veco, in reconventie vergoeding van schade gevorderd, nader op te maken bij staat, alsmede een voorschot daarop van € 150.000,--. (iii) Na een comparitie van partijen op 6 juni 2003 heeft de rechtbank de zaak voor vonnis verwezen naar de zitting van 23 juli 2003.

(iv) Op 18 juni 2003 is [A] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Van Dooren en mr. R. Slag tot curatoren. Mr. Slag is later vervangen door mr. Te Biesebeek.

(v) Op 17 november 2004 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. In conventie overwoog de rechtbank dat de vordering in hoofdsom niet werd betwist en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden. In reconventie heeft de rechtbank aan beide partijen een aantal bewijsopdrachten gegeven en de zaak verwezen naar de rol van 1 december 2004 om desgewenst getuigen en verhinderdata op te geven.

(vi) Bij brief van 23 november 2004 heeft mr. Van Dooren de rechtbank bericht dat de curatoren niet bekend waren met de procedure tegen Veco, dat na het tussenvonnis van 17 november 2004 de artikelen 27-29 van de Faillissementswet weer van toepassing zijn geworden en dat dit in zijn visie tot schorsing van de procedure zou moeten leiden. Aan het slot van de brief heeft hij de rechtbank verzocht de procedure, zowel in conventie als in reconventie, te schorsen.

(vii) Bij brief van diezelfde datum heeft mr. Van Dooren de procureur van Veco, mr. Boskamp, verzocht telefonisch te overleggen of de procedure moet worden voortgezet. In de brief staat dat een kopie van de in (vi) genoemde brief is bijgesloten.

(viii) Bij brief van 24 november 2004 heeft mr. Boskamp mr. Slag een kopie van het tussenvonnis van 17 november 2004 toegezonden en verzocht hem binnen één week te berichten of hij de procedure overneemt.

(ix) Bij brief van 25 november 2004 heeft mr. Slag aan mr. Boskamp een afschrift van de in (vi) genoemde brief van mr. Van Dooren aan de rechtbank gestuurd en opgemerkt dat de inhoud daarvan voor zichzelf spreekt.

(x) Ter rolzitting van de rechtbank van 29 december 2004 is door Veco ontslag van instantie verzocht, waarbij de rolwaarnemer/procureur van Veco aan de rolrechter medegedeeld "dat de curator in het faillissement van [A] zich naar behoren opgeroepen acht en de procedure niet wenst over te nemen".

(xi) De rechtbank heeft daarop (kennelijk: in reconventie) ontslag van instantie verleend en (kennelijk: in conventie) de zaak verwezen naar de rol van 5 april 2006 "voor voortprocederen".

(xii) Bij brief van 5 maart 2008 heeft mr. Van Dooren de rolrechter bericht dat hij niet bekend was met enige oproeping voor de zitting van 29 december 2004, en dat hij van mening was dat ten onrechte ontslag van instantie in reconventie is verleend. Voorts heeft hij in deze brief de rolrechter verzocht "dit te herstellen" en de zaak zowel in conventie als in reconventie op de gewone rol te plaatsen "voor voort procederen partijen".

(xiii) Bij brief van 24 april 2008 heeft mr. Van Dooren de rolrechter opnieuw verzocht de beslissing tot ontslag van instantie te herstellen en medegedeeld dat hij de procedure zowel in conventie als in reconventie wenste voort te zetten.

(xiv) Bij brieven van 28 april 2008 en 5 mei 2008 heeft mr. Boskamp zich verzet tegen herziening van de op 29 december 2004 gegeven beslissing tot het verlenen van ontslag van instantie.

In de brief van 28 april 2008 heeft hij de rechtbank bericht dat hij na de faillietverklaring van [A] op 18 juni 2003 enkele malen telefonisch contact heeft opgenomen met mr. Slag omtrent de overname van de geschorste procedure in reconventie en dat hij, nadat een reactie was uitgebleven, dit verzoek bij brief van 24 november 2004 schriftelijk heeft herhaald.

In de brief staat verder dat een schriftelijke reactie van mr. Slag uitbleef, maar "dat het hem bij staat" dat mr. Slag hem heeft laten weten de procedure niet te zullen overnemen.

Voorts vermeldt mr. Boskamp in de brief dat hij zijn rolwaarnemer heeft geïnstrueerd overeenkomstig de mededelingen zoals die blijken uit de aantekeningen ter rolle.

Mr. Boskamp wees er tot slot op dat dit alles overeenstemt met hetgeen de curator in zijn verslag van 8 juli 2004 - dat ruim één jaar na de datum van het faillissement is opgemaakt - onder 14 heeft opgenomen, te weten "de overige civiele procedures zijn niet overgenomen" alsmede met het feit dat mr. Slag na 29 december 2004 geen actie heeft ondernomen op de grond dat de op die datum genoteerde rolbeslissing onjuist zou zijn.

3.2 Bij rolbeslissing van 11 juni 2008 heeft de rechtbank in reconventie de curatoren niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek om herziening van de beslissing tot ontslag van instantie. Hoewel er naar het oordeel van de rechtbank aan de beslissing van 29 december 2004 enkele gebreken kleven (rechtsoverwegingen 1.11-1.13), kan dit niettemin niet tot herziening van die beslissing leiden omdat het ontslag van instantie een eindbeslissing is. Die beslissing kan volgens de rechtbank alleen door een in de wet geregeld rechtsmiddel worden aangetast (rechtsoverweging 1.14).

3.3 De curatoren zijn van deze rolbeslissing in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch met de vordering dat het hof de rolbeslissing vernietigt en, opnieuw rechtdoende, het op 29 december 2004 aan Veco door de rechtbank verleende ontslag van instantie herziet, althans daarvan terugkomt, althans de zaak verwijst naar de rechtbankrol voor voortprocederen in reconventie. Het hof heeft de curatoren echter in hun beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof overwoog daartoe kort samengevat het volgende.

a. Het verzoek van curatoren dat heeft geleid tot de rolbeslissing van 11 juni 2008 strekte ertoe de zaak in reconventie weer op de rol te plaatsen, en neemt tot uitgangspunt dat de zaak ondanks het op 29 december 2004 verleende ontslag van instantie nog aanhangig is. Dat is echter niet het geval. De rolbeslissing van 11 juni 2008 is derhalve niet gegeven bij gelegenheid van de behandeling van de - reeds geëindigde - zaak in reconventie. Deze rolbeslissing is niet aan te merken als een vonnis, waarvan ingevolge art. 332 Rv. hoger beroep open staat. (rov. 3.14)

b. De rolbeslissing van 29 december 2004 kon slechts ter discussie worden gesteld door daarvan hoger beroep in te stellen, door daarvan herstel of aanvulling te verzoeken op basis van de art. 31-32 Rv., of door herroeping van de beslissing te vragen op de voet van art. 382 e.v. Rv. Hoger beroep is niet binnen de daarvoor geldende termijn ingesteld.

De rechtbank heeft het hiervoor in 3.1 (xii) bedoelde verzoek kennelijk niet opgevat en ook niet behoeven op te vatten als een - verkeerd ingeleid - verzoek tot herroeping, nu daarin de voor herroeping vereiste gronden niet zijn genoemd. Als het bedoelde verzoek al als een verzoek tot herstel op de voet van art. 31 Rv. zou kunnen worden beschouwd en de beslissing van 11 juni 2008 als de beslissing op zo'n verzoek, dan geldt dat ingevolge art. 31 lid 4 Rv. van die beslissing geen hoger beroep open staat. (rov. 3.15-3.17)

c. Bij deze stand van zaken dient de als rolbeslissing aangemerkte beslissing van 11 juni 2008 te worden beschouwd als een niet in de wet geregelde beslissing, op een buiten een aanhangige procedure gedaan verzoek, houdende een (inhoudelijk correcte) kennisgeving dat op in de beslissing weergegeven gronden de rechtbank geen mogelijkheden ziet om aan het verzoek tegemoet te komen. Van die beslissing of kennisgeving staat geen hoger beroep open. (rov. 3.18-3.19)

3.4 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel wordt het volgende vooropgesteld. Ook bij een ruime opvatting met betrekking tot het toepassingsbereik van art. 31 Rv. kan daaronder niet een geval als het onderhavige worden gebracht waarin wordt verzocht een met - naar is gesteld - schending van het beginsel van hoor en wederhoor gegeven beslissing tot ontslag van instantie te herstellen door deze beslissing terug te nemen of te herzien. Hier wordt in wezen niet herstel van een - voor partijen en derden duidelijke - kennelijke vergissing gevraagd, maar herstel van een (ernstig) processueel verzuim van de rechtbank, dat overigens volgens de procureur van Veco, afgaande op wat hem "bij staat", niet is begaan. Voorzover het middel tot uitgangspunt neemt dat (overeenkomstige) toepassing had moeten worden gegeven aan art. 31 Rv. is het dan ook, nog daargelaten het bepaalde in lid 4 van dat artikel, tevergeefs voorgesteld.

3.5 Het hiervoor overwogene brengt niet mee dat het verzuim van de rechtbank de curator(en) op te roepen teneinde zich over het gevraagde ontslag van instantie uit te laten, niet zou kunnen worden hersteld. Het ontslag van instantie op de voet van art. 27 F. raakt rechtstreeks de positie van de curator en de door hem beheerde faillissementsboedel. Indien een dergelijke ingrijpende beslissing wordt genomen zonder behoorlijke oproeping van de curator, is sprake van een processueel verzuim dat rechtstreeks de toegang tot de rechter raakt en dat bij het ontbreken van een verzetprocedure niet binnen het nationale procesrecht kan worden hersteld. Onder deze omstandigheden leidt onverkorte toepassing van de regeling inzake de termijn voor hoger beroep tegen de verlening van ontslag van instantie tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM (vgl. met betrekking tot de termijn van verzet wanneer een bij verstek veroordeelde pas in het stadium van tenuitvoerlegging met het veroordelend vonnis bekend raakt HR 25 februari 2000, LJN AA4936, NJ 2000/509, en met betrekking tot de termijn van hoger beroep in geval van een "apparaatsfout" HR 28 november 2003, LJN AN8489, NJ 2005/465). Dit brengt mee dat mede op grond van art. 6 EVRM moet worden aangenomen dat in gevallen als het onderhavige de termijn voor hoger beroep tegen de desbetreffende rolbeslissing, indien deze termijn is verstreken op het moment dat de curator daarvan kennis neemt of redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen, met veertien dagen wordt verlengd ingaande op de dag na die waarop de curator van die beslissing kennis heeft genomen of redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen.

3.6 Op grond van het voorgaande moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de termijn voor hoger beroep tegen de rolbeslissing van 29 december 2004 is verlengd met veertien dagen na de dag waarop mr. Van Dooren heeft kennisgenomen van die beslissing, dat wil zeggen uiterlijk op 5 maart 2008 (zie hiervoor in 3.1 (xii)), zodat uiterlijk veertien dagen nadien hoger beroep had moeten worden ingesteld. De curatoren hebben dat niet gedaan en langs een verkeerde weg getracht het processueel verzuim te herstellen door bij brief om (informeel) herstel van dat verzuim, althans het herroepen van het ontslag van instantie te verzoeken. Aangezien evenwel eerst door het onderhavige arrest duidelijk wordt welke weg gevolgd had moeten worden, dient, met vernietiging van het bestreden arrest wegens gegrondheid van de op het voorgaande gerichte klachten van onderdeel 4, te worden bepaald dat de hiervoor bedoelde verlenging van de termijn van hoger beroep tegen de rolbeslissing van 29 december 2004 met veertien dagen eerst aanvangt met de dag na die waarop dit arrest wordt uitgesproken.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2009;

bepaalt dat de termijn van hoger beroep tegen de rolbeslissing houdende ontslag van instantie van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 december 2004 met veertien dagen wordt verlengd met ingang van de dag na die waarop dit arrest wordt uitgesproken;

veroordeelt Veco in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 468,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 27 mei 2011.