Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP8687

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10/03357
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP8687
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0816, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalig echtelieden over partneralimentatie. Oordeel dat onderhoudsgerechtigde onvoldoende heeft onderbouwd de verlangde inspanningen te hebben verricht om een beter betaalde baan te vinden en op dit punt onvoldoende helderheid heeft verschaft, gelet op hetgeen ten processe is aangevoerd, onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 1273
RvdW 2011/744
RFR 2011/119
FJR 2012/9 met annotatie van I.J. Pieters
JWB 2011/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2011

Eerste Kamer

10/03357

DV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 318706 van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 februari 2009;

b. de beschikking in de zaak 200.027.101.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 april 2010.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 13 juli 2001 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geen kinderen geboren.

(ii) Het huwelijk is op 10 april 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 januari 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man tot 1 september 2008 aan de vrouw een bedrag van € 1.740,-- per maand zal betalen als bijdrage in haar levensonderhoud en dat met ingang van laatstgenoemde datum de alimentatie op nihil wordt gesteld.

(iv) De vrouw, die is geboren in de Verenigde Staten van Amerika, is in 2007 of 2008 samen met haar drie kinderen uit een eerder huwelijk weer in de VS gaan wonen en is daar werkzaam in het onderwijs.

3.2.1 De vrouw heeft op 29 augustus 2008 de rechtbank verzocht - met wijziging van de beschikking van 2 januari 2008 - te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2008 als bijdrage in haar levensonderhoud een bedrag zal dienen te betalen van € 1.740,-- per maand. De rechtbank heeft, uitgaande van een behoefte van de vrouw van € 3.072,90 netto per maand, bij beschikking van 3 februari 2009 het verzoek toegewezen. Zij heeft daartoe het volgende overwogen.

"In de beschikking van 2 januari 2008 is de partneralimentatie vastgesteld tot 1 september 2008. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de vrouw goede vooruitzichten had dat zij met ingang van het nieuwe schooljaar - dat in september 2008 begon - een volledige baan als "licensed teacher" zou kunnen betrekken en dat zij met het daarmee te verdienen salaris in haar eigen kosten van levensonderhoud zou kunnen voorzien. Daarbij is overwogen dat indien de vrouw - ondanks inspanningen daartoe - er niet in slaagt om met ingang van 1 september 2008 een betaalde baan als lerares of anderszins te vinden, of zij met de inkomsten uit een dergelijke baan - bij redelijkerwijs te verlangen gebruikmaking van haar verdiencapaciteit - niet in staat is volledig in haar behoefte te voorzien, de vrouw een wijzigingsverzoek kan indienen.

In deze procedure heeft de vrouw gesteld dat het haar niet is gelukt per 1 september 2008 in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft deze stelling betwist.

(...)

De vrouw heeft onder meer een verklaring van haar werkgever d.d. 22 juli 2008 overgelegd, alsmede salarisspecificaties van 15 oktober 2008 en 14 november 2008, waaruit blijkt dat de vrouw op jaarbasis 200 dagen van 7 uur werkt tegen een netto uurloon van 15,25 USD.

Aldus berekent de rechtbank het huidige netto inkomen van de vrouw op ongeveer € 1.395,- netto per maand (...).

De vrouw heeft voorts een "job posting" overzicht overgelegd alsmede een brief van de "director of employment services" d.d. 12 augustus 2008, waarin wordt uitgelegd wat de wijze van solliciteren naar banen in het onderwijs inhoudt, alsmede wat de inspanningen van de vrouw hierin zijn geweest. Op grond van deze uiteenzetting en het overzicht begrijpt de rechtbank dat de vrouw zich actief heeft ingezet om een baan te verwerven als leraar. De rechtbank heeft voorts ter terechtzitting van de vrouw begrepen dat zij pas kan solliciteren op banen in het onderwijs met een hoger inkomen, als zij over nog enkele accreditaties beschikt. Volgens de vrouw is zij druk bezig de benodigde bevoegdheden te verkrijgen. Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw op dit moment niet in staat is meer inkomsten te genereren in haar vakgebied dan zij thans geniet, zodat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw haar huidige verdiencapaciteit volledig benut."

3.2.2 Op het door de man ingestelde hoger beroep heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en - voor zover thans van belang - het inleidend verzoek van de vrouw alsnog afgewezen. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

"9. Het hof leidt uit de stukken en uit de stellingen van de vrouw af dat zij een baan heeft als onderwijsassistent en dat zij binnenkort de licentie ontvangt om als leerkracht te kunnen werken. Dat zij daarmee niet volledig in haar behoefte voorziet is aannemelijk geworden zodat de tweede grief van de man faalt. Dat de vrouw voldoende inspanningen heeft verricht om binnen de door de rechtbank in haar beschikking van 2 januari 2008 gestelde termijn, dan wel daarna een andere, beter betaalde baan te vinden, hetgeen door de man wordt betwist, heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen de man en het hof daarover helderheid te verschaffen, hetgeen zij heeft nagelaten. Als gevolg daarvan zal het hof de omstandigheid dat de vrouw thans nog steeds niet volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet voor haar rekening en risico laten."

3.3 Onderdeel 3a klaagt dat in het licht van de stellingen van de vrouw onbegrijpelijk is dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de vrouw onvoldoende inspanningen heeft verricht om een andere, beter betaalde baan te vinden. Onderdeel 3b voegt hieraan toe dat dit ook geldt voor het oordeel van het hof dat de vrouw op dit punt onvoldoende helderheid heeft verschaft.

De onderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, zijn terecht voorgesteld.

De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep aangevoerd dat het niet reëel is van haar te verlangen dat zij een baan buiten het onderwijs tracht te vinden, gezien haar graad, het inkomen dat zij reeds in het onderwijs heeft, alsmede gelet op haar leeftijd, de zorg voor haar kinderen en de recessie. Ook heeft de vrouw inlichtingen verstrekt over haar lesbevoegdheid en over de stand van haar sollicitaties. Ter zitting van het hof heeft zij nog toegelicht wat haar mogelijkheden zijn binnen het Amerikaanse onderwijs en heeft zij gewezen op de moeilijkheden bij het vinden van een beter betaalde baan. Tegen deze achtergrond is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de van haar verlangde inspanningen heeft verricht om een beter betaalde baan te vinden en dat zij op dat punt onvoldoende helderheid heeft verschaft. Dit brengt mee dat de beschikking van het hof niet in stand kan blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 april 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is vastgesteld op 26 mei 2011 en gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 juni 2011.