Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP8053

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
10/03571
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP8053
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2346, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 27o en 27p AWR. Art. 8:75 Awb.

Ongegronde klachten in hoger beroep. Hof constateert ambtshalve dat redelijke termijn is overschreden en vermindert daarom de boete. Onjuist dictum. Geen vergoeding griffierecht en geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2275
V-N 2011/47.5 met annotatie van Redactie
NJB 2011/1785
BNB 2011/286 met annotatie van E.B. Pechler
AB 2012/149 met annotatie van B.W.N. de Waard
FutD 2011-2189 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/03571

16 september 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2010, nr. P08/00131, betreffende een aan X B.V. II te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de navorderingsaanslag en de boetebeschikking verminderd.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/1134) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Inspecteur gelast het door belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 22 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van 's Hofs uitspraak en verwijzing van het geding.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn na daartegen gemaakt bezwaar door de Inspecteur verminderd. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

3.1.2. Het Hof heeft de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde klachten verworpen. Op grond van de door het Hof ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM bij de berechting van de zaak in hoger beroep, heeft het Hof geoordeeld dat de boete moet worden verminderd. Enkel op die grond heeft het Hof het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Inspecteur gelast aan haar het in beide instanties betaalde griffierecht te vergoeden. Tegen deze oordelen richt zich het middel.

3.2.1. Nu het Hof de door belanghebbende in hoger beroep aangevo

erde grieven ongegrond achtte en enkel vanwege de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep tot de conclusie is gekomen dat de boete moet worden verminderd, had het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond dienen te verklaren, de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de boetebeschikking moeten vernietigen, en de boete moeten verminderen (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337). Derhalve heeft het Hof ten onrechte het hoger beroep gegrond verklaard. Ook heeft het Hof ten onrechte het beroep gegrond verklaard, aangezien er - afgezien van de hiervoor bedoelde boetevermindering - geen grond voor vernietiging van de in beroep bestreden uitspraken aanwezig was. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.2.2. Voor een vergoeding van het griffierecht op de voet van artikel 27p van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is in een geval als het onderhavige geen plaats. Het is niet in overeenstemming met de strekking van deze bepaling om vergoeding van het griffierecht toe te kennen in een geval waarin de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank uitsluitend haar grond vindt in de omstandigheid dat het hof ambtshalve constateert dat bij de behandeling van het hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. In een geval als het onderhavige is evenmin plaats voor vergoeding van het griffierecht voor de behandeling van het beroep dat was ingesteld bij de rechtbank of voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verklaart het hoger beroep ongegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking, en

vermindert de boete tot € 47.688.

Dit arrest is gewezen door vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2011.