Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP6607

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
10/00727
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6607
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7350, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grondwaterbelasting; art. 3, lid 1, letter c, en art. 8, lid 1, letter a, Wbm; art. 1 van de Grondwaterwet. Vrijstelling voor ‘kleine onttrekkers’; vormt de betonmortelcentrale inclusief pomp dan wel enkel de pomp een inrichting, bestemd tot het onttrekken van grondwater?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/39.26 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2011/2032
Milieurecht Totaal 2011/6115 met annotatie van mr. A.L Kruijmer
BNB 2011/252
FutD 2011-1887
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/00727

12 augustus 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 januari 2010, nr. BK-09/00183, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/1537) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 10 februari 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteert een betonmortelcentrale. In de centrale wordt ten behoeve van de productie van betonmortel grondwater aan de bodem onttrokken met behulp van een centrifugaalpomp (hierna: de pomp). De pomp heeft een theoretische pompcapaciteit van maximaal 17,1 kubieke meters per uur. Het grondwater wordt door de pomp aan de oppervlakte gebracht, opgepompt tot een hoogte van 16 à 20 meter boven het maaiveld en vandaar in de betonmortelmenger geleid. Gemeten op zowel het punt waar het grondwater in de betonmortelmenger wordt geleid als op het niveau van het maaiveld, kan in de centrale niet meer dan 8,5 kubieke meters grondwater per uur aan de bodem worden onttrokken.

3.1.2. Belanghebbende heeft over het onderhavige tijdvak geen grondwaterbelasting op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende ter zake van het gedurende dat tijdvak onttrokken grondwater grondwaterbelasting verschuldigd is en heeft de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de onttrekkingen van grondwater door belanghebbende ingevolge artikel 8, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst tot 1 januari 2008; hierna: de Wbm) waren vrijgesteld van grondwaterbelasting.

Het Hof heeft geoordeeld dat de pomp functioneel en fysiek een onverbrekelijk geheel vormt met de betonmortelmenger en de daartussen bestaande verbindende leidingen, en dat het geheel als één inrichting in de zin van de Wbm wordt aangemerkt. Aangezien met voornoemde inrichting feitelijk niet meer dan 8,5 kubieke meters grondwater per uur aan de bodem kan worden onttrokken, heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter a, van de Wbm.

Tegen deze oordelen richt zich het middel.

3.3.1. Op grond van artikel 8, lid 1, aanhef en letter a, van de Wbm is vrijgesteld van grondwaterbelasting de onttrekking van grondwater door middel van een inrichting met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 kubieke meters per uur. Onder het hiervoor vermelde begrip 'inrichting' moet ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 1, aanhef en letter c, van de Wbm in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1, van de Grondwaterwet, worden verstaan een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater.

3.3.2. Voor de beoordeling van de maximale pompcapaciteit van een inrichting als bedoeld in artikel 3, lid 1, letters c en f, van de Wbm in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1, van de Grondwaterwet, moet in aanmerking worden genomen het maximale wateropbrengend vermogen van de pomp met inachtneming van alle (onder)delen die in functioneel en fysiek opzicht bestemd zijn om duurzaam verbonden te zijn met de pomp die het water opbrengt, en die door deze verbondenheid van invloed zijn op het proces van onttrekken van grondwater. Dat geheel wordt aangemerkt als te zijn bestemd tot het onttrekken van grondwater en vormt mitsdien een inrichting als bedoeld in artikel 3, lid 1, letter c, van de Wbm. Dat een dergelijk geheel tevens is bestemd tot het produceren van - in dit geval - betonmortel, en dat het onttrekken en oppompen van grondwater onderdeel is van een totaal productieproces, leidt er niet toe dat niet het geheel als één inrichting moet worden aangemerkt. Het middel faalt in zoverre.

3.4. Voor zover het middel zich voor het overige richt tegen het oordeel van het Hof dat de pomp functioneel en fysiek een onverbrekelijk geheel vormt met de betonmortelmenger en de daartussen bestaande verbindende leidingen, faalt het, aangezien dit oordeel, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1311 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2011.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Minister van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.