Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP6601

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
09/04864
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6601
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1471, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. CAO. De desbetreffende bepalingen van de betrokken CAO’s moeten in onderling verband op dezelfde wijze worden uitgelegd. Bij de uitleg komt het aan op de tekst, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort. Uitleg werkingssfeer van verplichtstellingsbeschikking krachtens de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 79
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/536
NJ 2011/181
NJB 2011, 926
PJ 2011/81 met annotatie van E. Lutjens
RAR 2011/97
JWB 2011/207
JAR 2011/136 met annotatie van mr. dr. A. Stege
AR-Updates.nl 2011-0299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2011

Eerste Kamer

09/04864

TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET TECHNISCH INSTALLATIEBEDRIJF,

gevestigd te 's-Gravenhage,

3. STICHTING SOCIAAL FONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te 's-Gravenhage,

4. SCHADEVERZEKERING METAAL EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Fondsen en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 170800 CV EXPL 05-7696 van de kantonrechter te Dordrecht van 30 maart 2006 en 5 oktober 2006;

b. het arrest in de zaak 105.006.110/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 augustus 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de Fondsen beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor de Fondsen toegelicht door mr. S.F. Sagel, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

Mr. S.F. Sagel, advocaat te Amsterdam, heeft namens de Fondsen bij brief van 11 maart 2011 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2. Voorts moet veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat, zoals door de Fondsen is gesteld en door het hof in het midden is gelaten, alle door de werknemers van [verweerster] verrichte werkzaamheden betrekking hebben op het monteren van zogenoemde kabelladders.

3.2 De Fondsen hebben een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerster] met ingang van 1 januari 2001 als werkgever valt onder de werkingssfeer van de verplichtstellingsbeschikking krachtens (thans) de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 ten aanzien van het bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische bedrijfstakken, en onder een aantal algemeen verbindend verklaarde (avv) CAO's in die bedrijfstak, en uit dien hoofde premieplichtig is jegens de Fondsen. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd.

3.3 Het hof heeft daartoe, samengevat, onder meer het volgende overwogen.

a) Nu [verweerster] een uitleen-/detacheringsbedrijf is, moet de vraag of zij binnen de werkingssfeer valt van de verplichtstellingen en de avv's worden beoordeeld aan de hand van - in de eerste plaats - de ondernemingen waar haar werknemers werkzaam zijn. (rov. 7)

b) [Verweerster] leent haar werknemers veelal uit aan opdrachtgevers die hen weer doorlenen. (rov. 8)

c) De stelplicht en de bewijslast ter zake van de plaats van de feitelijke tewerkstelling komt niet op [verweerster] te rusten zodra de Fondsen hebben aangetoond dat de opdrachtgevers van [verweerster] merendeels binnen de desbetreffende bedrijfstak vallen. (rov. 9)

d) Nu de Fondsen niet hebben gesteld dat en waarom zij de feitelijke werkplek van de werknemers van [verweerster] - gelet op het verweer dat deze door haar opdrachtgevers veelal worden "doorgeleend" - niet zelf kunnen achterhalen, worden de vorderingen van de Fondsen bij gebreke van onderbouwing van de grondslag van hun vorderingen afgewezen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.

De vraag of de door de werknemers van [verweerster] op hun feitelijke werkplek verrichte "ladderbaan" werkzaamheden binnen de reikwijdte van de verplichtstellingsbeschikking vallen, behoeft geen behandeling. (rov. 10)

3.4 Onderdeel 1 is gericht tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan de, in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 vermelde, CAO's waarvan de werkingssfeerbepalingen zijn vermeld in 4.5 tot en met 4.8 van die conclusie. Art. 3 lid 3 van de in dit geding bedoelde, algemeen verbindend verklaarde, CAO Opleidings- en Ontwikkelingsfonds en Scholingsverlof voor de elektrotechnische bedrijfstak 2000/2004 bepaalt dat onder werkgever in de bedrijfstak wordt verstaan de werkgever in de Metaalnijverheid bij wie het het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers, die betrokken zijn bij de werkzaamheden als bedoeld in art. 3 lid 4, onder a tot en met k, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf in de Metaalnijverheid. Volgens art. 3 lid 2 van deze CAO wordt onder werkgever in de Metaalnijverheid verstaan de werkgever bij wie het het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij de werkzaamheden zoals uitgeoefend in de Metaalnijverheid, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf. Wat onder Metaalnijverheid wordt verstaan is vermeld in art. 4 van deze CAO.

3.5 De desbetreffende bepalingen van de CAO's moeten in onderling verband op dezelfde wijze worden uitgelegd.

Bij de uitleg komt het aan op de tekst, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort. Een toelichting op de onderhavige regelingen ontbreekt.

3.6 Onderdeel 1 klaagt terecht dat het hof de in de hiervoor in 3.4 vermelde bepalingen neergelegde maatstaf voor de werkingssfeer van de onderhavige CAO's heeft miskend door in plaats van deze maatstaf, te weten: of het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden zoals uitgeoefend in het elektrotechnisch bedrijf groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf, in rov. 7 en in rov. 10 beslissend te achten waar de werknemers van [verweerster] feitelijk werkzaam zijn.

3.7 Onderdeel 2 heeft betrekking op de uitleg van de werkingssfeer van de Verplichtstellingsbeschikking. Het onderdeel klaagt, in het voetspoor van onderdeel 1, terecht dat het hof met zijn beslissing in rov. 10 heeft miskend dat een onderneming als [verweerster] waarvan de bedrijfsactiviteiten uitsluitend bestaan in het ter beschikking stellen van bij haar in dienst zijnde arbeidskrachten aan derden voor werkzaamheden als omschreven in de Verplichtstellingsbeschikking in beginsel onder de werkingssfeer van deze beschikking valt, ook wanneer de werknemers die bij haar in dienst zijn feitelijk werkzaam zijn in ondernemingen die zelf niet vallen binnen de werkingssfeer van de beschikking, behoudens de uitzondering als bedoeld in art. 25 lid 8 die zich hier niet voordoet.

3.8 De overige klachten van het middel behoeven bij deze stand van zaken geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 augustus 2009;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Fondsen begroot op € 480,16 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 april 2011.