Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP6600

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
10/00692
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6600
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 27p, lid 1, AWR. Uitspraak Rechtbank vernietigd n.a.v. incidenteel hoger beroep Inspecteur. Geen teruggaaf griffierecht in geval van ongegrondverklaring van principaal hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 941
V-N 2011/21.10 met annotatie van Redactie
BNB 2011/182
FED 2011/68 met annotatie van E. POELMANN
Belastingblad 2011/1095 met annotatie van M.R.P. de Bruin
Futd 2011-0904
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/00692

15 april 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 april 2010, nr. 08/616, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/5032) heeft het tegen de uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, het bezwaar ontvankelijk verklaard, de voorlopige aanslag gehandhaafd, en de Inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaarschrift heeft gemaakt.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, doch uitsluitend voor zover de uitspraak betrekking heeft op de kostenveroordeling van de Inspecteur, en de Inspecteur gelast het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 107 te vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 10 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 opgelegd.

3.1.2. Belanghebbende maakt aanspraak op aftrek van ziektekosten bij de berekening van zijn belastbare inkomen uit werk en woning. De Rechtbank heeft belanghebbende op dat punt in het ongelijk gesteld en de voorlopige aanslag gehandhaafd.

3.1.3. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Dit hoger beroep is bij de thans bestreden uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.4. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaarschrift ten bedrage van € 80,50. Het Hof heeft dit hoger beroep gegrond bevonden en de uitspraak van de Rechtbank op die grond vernietigd.

3.1.5. Het Hof heeft tevens de Inspecteur gelast het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 107 te vergoeden. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

3.2.1. Uit de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding blijkt niet van feiten of omstandigheden die tot vergoeding van het griffierecht op de voet van artikel 27p, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) aanleiding zouden kunnen geven. Omdat 's Hofs beslissing met betrekking tot het toekennen van een vergoeding van het griffierecht ook niet is gemotiveerd, moet het ervoor worden gehouden dat het Hof zijn beslissing niet op artikel 27p, lid 2, van de AWR heeft gebaseerd, maar op artikel 27p, lid 1, van de AWR.

3.2.2. In artikel 27p, lid 1, van de AWR is voorgeschreven dat een uitspraak waarbij het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank vernietigt, tevens inhoudt dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

3.2.3. De uitspraak van de Rechtbank is vernietigd uitsluitend op gronden die door de Inspecteur in zijn incidentele hoger beroep zijn aangevoerd, en dus niet op door belanghebbende aangedragen - of door het Hof ambtshalve bijgebrachte - gronden.

3.2.4. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 4.7 tot en met 4.11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is de strekking van artikel 27p, lid 1, van de AWR dat aan degene wiens hoger beroep geheel of gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, het door hem voor het indienen van dat hoger beroep betaalde griffierecht wordt vergoed. Het is niet in overeenstemming met deze strekking om vergoeding van het griffierecht toe te kennen aan de procespartij wiens hoger beroep ongegrond is verklaard in een geval waarin de vernietiging van een uitspraak van de rechtbank uitsluitend zijn grond vindt in het slagen van het door de andere partij ingestelde (incidentele) hoger beroep.

3.2.5. De bewoordingen van artikel 27p, lid 1, van de AWR staan aan een uitleg in overeenstemming met de hiervoor weergegeven strekking niet in de weg.

3.3. Het middel wordt derhalve terecht voorgesteld. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond, en

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voor zover deze de vergoeding van het griffierecht betreft.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2011.