Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP6477

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
09/03698
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6477
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beginnend bestuurder, art. 8 WVW 1994. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent art. 8 WVW 1994 de bewezenverklaring uit de gebezigde bm kunnen afleiden. 's Hofs oordeel dat de stelling van de rm over het beginnend bestuurderschap niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het Hof dat uit een veroordeling wegens rijden onder invloed tot onder meer een OBM niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte toen in het bezit is geweest van een rijbewijs, is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 1199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 mei 2011

Strafkamer

nr. 09/03698

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 21 augustus 2009, nummer 24/002266-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 8 maart 2008 te Lelystad als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op zaterdag 8 maart 2008 te 17.32 uur, bevond ik, [verbalisant 1], mij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Lindelaan te Lelystad, met een gerichte alcoholcontrole belast. Op bovengenoemde datum, tijd en plaats zag ik dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, Fiat Ducato Combinat, kleur wit, Nederland, kenteken [AA-00-BB], dit bestuurde. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften, gaf ik de bestuurder een stopteken waaraan hij voldeed.

Ik heb op 8 maart 2008 te 17.33 uur van deze bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht.

Het betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

De bestuurder verleende geen medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, hetgeen mij, [verbalisant 1] bleek uit de omstandigheid dat de bestuurder deed alsof hij niet meer wist hoe te blazen op het voorselectieapparaat. Ik nam waar dat zijn adem riekte naar het inwendig gebruik van alcohol.

Ik, [verbalisant 1], heb de bestuurder als verdacht van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, vervolgens op 8 maart 2008 te 17.35 uur, in de Lindelaan te Lelystad, aangehouden.

De verdachte gaf op te zijn: [verdachte], geboren [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats].

Ik, [verbalisant 2], heb de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 3, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem medegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de daartoe aangewezen bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen.

Op 8 maart 2008 te 18.00 uur heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [verbalisant 2], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 3, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Het onderzoek ving aan op het eerste tijdstip vermeld op de bijgevoegde afdruk, zijnde een tijdstip tenminste 20 minuten na het tijdstip van eerste directe contact met de verdachte, leidend tot de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyseapparaat dat ingevolge het Besluit Alcoholonderzoeken is aangewezen door de minister van Justitie. Ik verklaar, dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij dit apparaat, keuringsdatum 14 december 2007, is geldig tot 27 juni 2008. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, overeenkomstig de als bijlage bijgevoegde afdruk, genummerd [001]. Aan de verdachte is aanstonds medegedeeld dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem, 570.0 ug/l bedroeg. De verdachte heeft niet gevraagd om een tegenonderzoek."

b. een ademanalyseformulier inhoudende als ademonderzoeksresultaat 570 µg/l.

c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik heb bier gedronken, ik bedacht me, na het drinken van bier, dat ik boodschappen moest doen en heb daarvoor de auto gebruikt."

2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt - voor zover hier van belang - in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging en brengt in dat verband het volgende naar voren:

Het klopt dat verdachte de auto heeft gereden nadat hij alcohol had gedronken, maar verdachte is geen beginnend bestuurder. Verdachte heeft verklaard dat hij in 1975 zijn eerste rijbewijs heeft gehaald. Ik heb geprobeerd hiervan de gegevens boven tafel te krijgen, maar de instanties hebben de gegevens slechts 15 jaar bewaard. Het uittreksel uit de Justitiële documentatie vormt hiervoor echter wel een aanknopingspunt. Verdachte is immers in 1978 veroordeeld vanwege het rijden onder invloed en hem is de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van een jaar. Een rijontzegging kan alleen als men een rijbewijs heeft, zodat hieruit blijkt dat verdachte in 1978 in het bezit was van een geldig rijbewijs. Nu verdachte geen beginnend bestuurder was, kan het tenlastegelegde feit niet bewezen worden, zodat hij moet worden vrijgesproken.

(...)

De advocaat-generaal repliceert en voert - zakelijk weergegeven - aan:

Verdachte is wel een beginnend bestuurder. Uit het mailbericht van het CBR blijkt dat in het register niet een eerder rijbewijs van verdachte staat geregistreerd. Overigens wijs ik er op dat ook indien een verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs, hij een rijontzegging opgelegd kan krijgen."

2.2.4. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - in:

"Door de raadsman is betwist dat de verdachte beginnend bestuurder zou zijn. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat aan verdachte eerder, in 1975, een rijbewijs zou zijn verstrekt. De juistheid van deze stelling, die vanwege het openbaar ministerie gemotiveerd is betwist, is niet aannemelijk geworden. Dat, zoals de raadsman heeft gesteld, uit een veroordeling wegens rijden onder invloed tot onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid moet worden afgeleid dat de verdachte (toen) in het bezit van een rijbewijs is geweest, is onjuist en berust op een verkeerde uitleg van de wet. Het verweer wordt verworpen."

2.3. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent art. 8 WVW 1994 de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Het oordeel van het Hof dat de stelling van de raadsman over het beginnend bestuurderschap niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het Hof dat uit een veroordeling wegens rijden onder invloed tot onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte toen in het bezit is geweest van een rijbewijs, is juist.

2.4. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 24 mei 2011.