Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP5999

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
09/02053
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP5999
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Middel m.b.t. verkeersgegevens van geheimhoudersgesprekken en art. 126aa Sv. HR doet het middel af ex art. 81 RO en met verwijzing naar HR LJN BP6016. 2. Slagende bewijsklachten m.b.t. medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van hennep en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 2011

Strafkamer

nr. 09/02053

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 april 2009, nummer 20/001307-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 2.2 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 1, 2.3 en 2.4 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 7 maart 2006 te Helmond, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en een rechtspersoon, te weten [A] B.V., en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk overtreden van artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet.

2. hij op na te noemen tijdstippen in Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad:

2.3 op 7 maart 2006 ongeveer 26 kilogram henneptoppen en 2035 hennepstekken en 401 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (delict 24 procesverbaal) en 2.4 op 24 maart 2004 9555 gram hennep (parketnr. 830538-05), zijnde hennep en hashish middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.2. De bewijsmiddelen zijn vervat in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.

2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering - met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten - nog het volgende overwogen:

"Feit 2.4. Eerste inval [A] op 24 maart 2004.

Op 24 maart 2004 vond een inval plaats in het pand gelegen aan de [a-straat 1] te Helmond. In dit pand was een zogenaamde "growshop" gevestigd (dossierpagina 8).

Het pand kende onder meer de volgende indeling: vanaf de entree was een publieksruimte met een toonbank. Achter deze toonbank was een toegangsdeur tot de opslagloods (blz. 8, 34). Deze opslagloods was een grote L-vormige ruimte, met daarin twee kleinere ruimten waarvan één een volledig ingerichte knip-, weeg- en verpakruimte was, waar openlijk hennepresten en verpakte henneptoppen lagen. In de andere ruimte werden dozen aangetroffen, waarvan enkele open waren, waarin in totaal 9992 hennepstekjes waren verpakt. In deze knipruimte lag tevens een blokje hash van 21 gram (dossierpagina 31). Ook in de loods aanwezig waren reguliere growshop-artikelen als dozen met knipschaartjes, met stekkers, met stofzuigerzakken en met timers. In de loods werd gedroogde hennep aangetroffen met een netto gewicht van in totaal 9.555 gram. Tevens stond in de loods een grote afvalcontainer die geheel gevuld was met hennepafval (blz. 8-9, 23, 34-35). Daarnaast werden in de loods ook wandstellingen met diverse producten aangetroffen (blz. 34).

Bij binnenkomst van de politie bleek verdachte [verdachte] in het pand aanwezig in de publieksruimte achter de toonbank (blz. 8, 10). [Verdachte] verklaarde in loondienst werkzaam te zijn bij de firma "[B]" (dossierpagina 41).

[verdachte] ontkent elke betrokkenheid bij de in de growshop aangetroffen hennep, hennepstekjes, hennepafval en hashish.

Op grond van de omstandigheden dat [verdachte] in loondienst werkzaam was bij de growshop, dat hij zich ten tijde van de inval in een ruimte bevond die slechts één deur verwijderd was van de loods waarin zich het hennepafval in de container bevond en in welke loods in kleinere ruimten zich de hennep, de hennepstekjes en de hashish bevonden, terwijl zich in die loods en bijbehorende ruimten tevens goederen bevonden ten behoeve van de reguliere handel, welke loods verdachte in de uitoefening van zijn taak als verkoper van growshop-artikelen moet hebben betreden, kan het niet anders zijn dan dat verdachte weet had van de aanwezige hennep(producten).

Zoals hierna wordt overwogen heeft verdachte zich niet gedistantieerd van het aanwezig hebben van die hennep(producten).

Feit 2.3 Derde inval [A] op 7 maart 2006 (delict 24)

Op 7 maart 2006 vond opnieuw een inval plaats in bovengenoemde growshop aan de [a-straat 1] te Helmond. Bij deze inval werden geen personen aangetroffen. Wel werd aangetroffen een grote hoeveelheid gedroogde hennep, hennepstekjes (in een in het pand aanwezige bedrijfsauto), hennepafval en ook hashish.

Verdachte was nog immer werknemer in loondienst bij de growshop en moet naar het oordeel van het hof hebben geweten van de aanwezigheid van de hennep(producten) en hashish in het pand, ook al was hij ten tijde van de inval om 06.40 uur niet in de growshop aanwezig. Immers, niet alleen was verdachte reeds betrokken bij bovengenoemde inval d.d. 24 maart 2004, doch op 14 juli 2005 is een tweede inval gedaan bij genoemde growshop waarbij eveneens hennep, hennepstekjes, hennepafval en hashish werd aangetroffen. Verdachte moet als personeelslid van deze inval hebben gehoord. De inval op 7 maart 2006 was de derde inval in de growshop.

Nu verdachte [verdachte] al die tijd in dienst is geweest van de growshop en zich dus klaarblijkelijk niet heeft gedistantieerd van de criminele activiteiten aldaar, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zowel op 24 maart 2004 als twee jaar later op 7 maart 2006 de aangetroffen hennep en hashish tezamen met de growshopeigenaren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig heeft gehad.

Feit 1: Criminele organisatie (delict 1)

Van deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is slechts dan sprake indien de verdachte een aandeel heeft in dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Dat de organisatie het plegen van witwassen tot oogmerk had, acht het hof niet bewezen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich gedurende langere tijd hebben bezig gehouden met, kort gezegd, hennep. Dat gebeurde vooral vanuit de growshop die [A] BV, waarvan zij mede-eigenaren waren, exploiteerde. Het hof acht bewezen dat dit gebeurde in het verband van een criminele organisatie als ten laste gelegd.

Verdachte was in de ten laste gelegde periode in dienst van de growshop en verrichtte daarvoor als zodanig werkzaamheden. Het hof heeft ten aanzien van verdachte bewezen geacht dat hij op 24 maart 2004 en 7 maart 2006 strafrechtelijk medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen toen aan middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet aldaar aanwezig was.

Het hof is op grond van een en ander van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich niet alleen bezighield met de reguliere zaken van de growshop, maar ook met de hennep. Een concrete aanwijzing daarvoor is te vinden in de verklaringen die [betrokkene 2] op 25 oktober 2005 en 26 september 2008 als getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. [Betrokkene 2] heeft verklaard dat hij een reparatie had uitgevoerd aan een aggregaat in de hennepkwekerij aan de [b-straat] te Weert en dat hij door mensen die in die kwekerij aan het werk waren voor betaling werd verwezen naar de growshop. Bij de growshop werd hij betaald door verdachte.

Het hof acht bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een gestructureerd samenwerkingsverband dat het oogmerk had op het plegen van misdrijven te weten het opzettelijk overtreden van artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet."

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gelet op HR 20 september 2011, nr. 09/02557, LJN BP6016 en gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

4.1. De middelen klagen dat de bewezenverklaringen onder l en 2 onvoldoende met redenen zijn omkleed.

4.2. Hetgeen het Hof in de bewijsvoering van de feiten 2.3 en 2.4 heeft vastgesteld en overwogen kan diens oordeel dat de verdachte op de bewezenverklaarde tijdstippen de aangetroffen hennep en hashish tezamen met de growshopeigenaren opzettelijk aanwezig heeft gehad, niet dragen. Het Hof had zijn oordeel dat bij de verdachte (telkens) sprake was van opzet op de aanwezigheid van die verdovende middelen nader moeten motiveren. Dat geldt ook voor zijn oordeel dat sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking met de eigenaren van de growshop.

4.3. Naar voorts uit de bewijsoverweging blijkt, heeft het Hof bij zijn oordeel dat het onder l aan de verdachte tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard zijn oordeel omtrent het onder 2.3 en 2.4 tenlastegelegde betrokken. Hetgeen hiervoor onder 4.2 met betrekking tot laatstbedoeld oordeel is overwogen, brengt mee dat ook de bewezenverklaring van het onder l tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.

4.4. De middelen slagen.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 september 2011.