Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP5992

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
09/01591
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP5992
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Middel m.b.t. verkeersgegevens van geheimhoudersgesprekken en art. 126aa Sv. HR doet het middel af ex art. 81 RO en met verwijzing naar HR LJN BP6016. 2. Slagende bewijsklacht medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 3. Falende bewijsklacht medeplegen voorhanden hebben vuurwapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 2011

Strafkamer

nr. 09/01591

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 april 2009, nummer 20/001303-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, en mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Beoordeling van het door mr. Baumgardt voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gelet op HR 20 september 2011, nr. 09/02557, LJN BP6016 en gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde door mr. Zilver voorgestelde middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, te Mariahout, gemeente Laarbeek, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten:

- hoeveelheden euro's, te weten:

- een geldbedrag van circa € 16.600,- betreffende de betaling van diverse nota's voor een communiefeest in motel Nobis in Asten in april 2004 en

- een geldbedrag van € 3.932,- betreffende de betaling van een vakantie in Oostenrijk in december 2004/januari 2005 en

- een geldbedrag van € 2.128,- betreffende de betaling van een vakantie in Oostenrijk in december 2005 en

- geldbedragen tot een totaalbedrag van circa € 187.923,86,- betreffende betalingen van een hoeveelheid (materiaal)nota's en/of arbeidsuren ten behoeve van de verbouwing van de woning gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] en

- geldbedragen tot een totaalbedrag van € 17.500,- betreffende betalingen aan [C] NV in België voor een auto gekentekend [AA-00-BB] en een auto gekentekend [CC-00-DD],

de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl zij en haar mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, zulks terwijl zij, verdachte, en haar mededader van het plegen van voormelde feiten een gewoonte hebben gemaakt [delict 19 proces-verbaal]".

3.3. De bewijsmiddelen zijn vervat in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.

3.4. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering - voor zover hier van belang - nog het volgende overwogen:

"Aldus zijn er naar het oordeel van het hof in de jaren 2004 en 2005 niet in de vermogensvergelijking betrokken uitgaven gedaan tot een aantoonbaar totaalbedrag van EUR 228.112,49. Daar tegenover staat slechts een uit legale inkomsten te besteden bedrag van EUR 73.599,00. Aldus resteert een bedrag van EUR 154.513,49 waarvoor geen legale dekking is te vinden.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat door de politie in een door verdachtes levenspartner [medeverdachte 1] en anderen geëxploiteerde growshop op 24 maart 2004 en op 14 juli 2005 grote hoeveelheden hennepproducten zijn aangetroffen. Verdachtes partner is in verband met het feit van 24 maart 2004 door de politie gehoord en in verband met het feit van 14 juli 2005 aangehouden en twee dagen in verzekering gesteld. Het kan niet anders dan dat verdachte op de hoogte is geweest van een en ander. Aldus was het verdachte bekend dat haar levenspartner zich gedurende langere tijd bezig hield met de, naar algemeen bekend is, lucratieve handel in hennep.

Uit de door [betrokkene 4] en [betrokkene 5], beiden werkzaam bij het hiervoor genoemde accountantskantoor [D], bij de FIOD afgelegde verklaringen blijkt dat verdachte de stukken met betrekking tot de boekhouding van de [E] VOF aanleverde aan het accountantskantoor en dat de contacten daarover ook met haar plaatsvonden. Uit dien hoofde was zij op de hoogte van de inkomsten uit die VOF, waarvan zij ook medevennoot was.

Verdachte moet als levenspartner van [medeverdachte 1], samenwonend in dezelfde woning, op de hoogte zijn geweest van de hierboven genoemde uitgaven, ook voor zover zij die niet zelf heeft gedaan. Ook al was zij wellicht niet op de hoogte van de juiste omvang van de uitgaven, verdachte moet, gelet op de hoogte van de uitgaven, hebben geweten dat deze niet uit de legale inkomsten van de VOF, waarmee zij zoals hiervoor overwogen op de hoogte was, konden worden gedaan.

Naar het oordeel van het hof staat daarom vast dat de in de bewezenverklaring genoemde uitgaven zijn gedaan uit de opbrengst van de hennephandel en dat verdachte dat ook heeft geweten. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde gewoontewitwassen."

3.5. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 40 is uiteengezet kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer worden afgeleid dat, zoals het Hof heeft geoordeeld, de verdachte heeft geweten dat de in de bewezenverklaring genoemde uitgaven zijn gedaan uit de opbrengst van de hennephandel van haar levenspartner. De bewezenverklaring is in dit opzicht dus ontoereikend gemotiveerd.

3.6. Het middel slaagt.

4. Beoordeling van het vijfde door mr. Zilver voorgestelde middel

4.1. Het middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"zij op 7 maart 2006 te Mariahout, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie III onder 1, te weten twee geweren .22 en twee pistolen kaliber 7.65 mm, en munitie van categorie III, te weten patronen .22 en 9 mm en 7.65 mm, voorhanden heeft gehad."

4.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een verzameling van processen-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, voor zover door het Hof zakelijk weergegeven, inhoudende:

- als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

"delict 21: paragraaf 21.4

p. 1:

Op 7 maart 2006 werd te 06.00 uur de woning [c-straat 1] te [plaats] betreden en werd de zoeking in deze woning geopend. In de woning zijn verscheidene vuurwapens aangetroffen. In de slaapkamer van de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] werd onder het kussen van [medeverdachte 1] een vuurwapen, pistool merk Crevena Zastava 7.65 mm, model 70 aangetroffen. Dit vuurwapen was geladen. Er werden ook twee patroonhouders 5 en 8 patronen aangetroffen. Tevens werd er in de slaapkamer een grote hoeveelheid munitie en een jachtgeweer aangetroffen.

In de woonkamer werd onder een kussen van de bank een pistool merk Crevena Zastava cal. 7.65 mm aangetroffen. Dit pistool was geladen."

- als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:

"delict 21: paragraaf 21.3.B

p. 3:

Op 7 maart 2006 werd een onderzoek in de woning [c-straat 1] te [plaats] ingesteld.

De aldaar aangetroffen wapens en munitie zijn in beslag genomen."

- als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:

"delict 21: paragraaf 21.5

Het op 7 maart 2006 bij verdachte [medeverdachte 1] in zijn woonkamer op de [c-straat 1] te [plaats] in beslaggenomen voorwerp is een pistool van het merk Crevana Zastava, type VZ-70DA, kaliber 7,65 mm voorzien van het serienummer [001]. Bij het pistool zat een magazijn inhoudende 6 patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De in beslag genomen patronen zijn kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm. De munitie is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met het in beslag genomen pistool.

delict 21: paragraaf 21.5A

Het op 7 maart 2006 bij verdachte [medeverdachte 1] op de slaapkamer van de [c-straat 1] te [plaats] in beslaggenomen voorwerp is een pistool van het merk Crevana Zastava, type VZ-70DA, kaliber 7,65 mm voorzien van het serienummer [002]. Bij het pistool zaten twee magazijnen met respectievelijk 5 patronen en 8 patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De in beslag genomen patronen zijn kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm. De munitie is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met het in beslag genomen pistool.

delict 21: paragraaf 21.5B

Het op 7 maart 2006 bij verdachte [medeverdachte 1] in beslaggenomen voorwerp is een geweer van het merk Remington, type 552 BDL Speedmaster, kaliber .22 en voorzien van het serienummer [003]. Het geweer is een enkelloops kogelgeweer. Het geweer is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

delict 21: paragraaf 21.5C

Het op 7 maart 2006 bij verdachte [medeverdachte 1] in beslaggenomen voorwerp is een geweer van het merk F.N. Browning, kaliber .22 en voorzien van het serienummer [004]. Het geweer is een enkelloops kogelgeweer. Het geweer is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

delict 21: paragraaf 21.5D

De op 7 maart 2006 onder de verdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen munitie betreffen 341 stuks .22 kogelpatronen en 50 stuks 9 mm kogelpatronen. Al de bovengenoemde kogelpatronen zijn in beslag genomen in de slaapkamer van de woning [c-straat 1] te [plaats]. De bovengenoemde munitie is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie. De aangetroffen .22 kogelpatronen zijn geschikt om te worden verschoten met de bij de verdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen geweren."

b. een beslaglijst, voor zover inhoudende:

"Een jachtgeweer Remington Speedmaster 552 is aangetroffen op de ouderslaapkamer en een bruin jachtgeweer is aangetroffen in de zonnebankkamer."

4.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Op 7 maart 2006 zijn bij de huiszoeking in de woning van verdachte aan de [c-straat 1] te [plaats] aangetroffen en in beslag genomen twee jachtgeweren en twee pistolen, alsmede munitie. Een pistool (met munitie) en een geweer (met munitie) werden aangetroffen in de ouderslaapkamer; het andere geweer in de zonnebankkamer en het andere pistool in de woonkamer onder een kussen van een bank. Onderzoek door de politie heeft uitgewezen dat het wapens en munitie in de zin van de Wet wapens en munitie waren. Verdachte heeft hieromtrent bij de politie en ter zitting van het hof desgevraagd geen verklaring willen afleggen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wapens en de munitie voorhanden heeft gehad, nu de voorwerpen zijn aangetroffen in de door verdachte bewoonde woning en gelet op de plaatsen in de woning waar ze werden aangetroffen.

4.4. Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het Hof het volgende vastgesteld:

(i) op 7 maart 2006 is een doorzoeking gedaan in de woning van [medeverdachte 1] en de verdachte aan de [c-straat 1] te [plaats];

(ii) in de gezamenlijke slaapkamer van [medeverdachte 1] en de verdachte werd onder het kussen van [medeverdachte 1] aangetroffen een pistool van het merk Crevana Zastava, type VZ-70DA, kaliber 7,65 mm voorzien van het serienummer [002], met twee magazijnen met respectievelijk 5 kogelpatronen en 8 kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm;

(iii) in de gezamenlijke slaapkamer werden voorts nog aantroffen een geweer van het merk Remington, type 552 BDL Speedmaster, kaliber .22 en voorzien van het serienummer [003], als ook 341 stuks .22 kogelpatronen en 50 stuks 9 mm kogelpatronen;

(iv) in de woonkamer werd onder een kussen van de bank aangetroffen een pistool van het merk Crevana Zastava, type VZ-70DA, kaliber 7,65 mm voorzien van het serienummer [001], met een magazijn inhoudende 6 kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm;

(v) in de zonnebankkamer werd aangetroffen een geweer van het merk F.N. Browning, kaliber .22 en voorzien van het serienummer [004].

4.5. Het Hof heeft uit de omstandigheden dat de in de tenlastelegging genoemde wapens onder meer zijn aangetroffen onder een kussen van de bank in de woonkamer van de door de verdachte en [verdachte] bewoonde woning en onder het kussen van de verdachte in de gezamenlijke slaapkamer, als ook dat in die slaapkamer een grote hoeveelheid munitie is aangetroffen kunnen afleiden dat ook [verdachte] zich bewust is geweest van de aanwezigheid in de woning van de in de bewezenverklaring vermelde wapens en munitie. Het oordeel van het Hof dat de verdachte heeft gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachte is dan ook toereikend gemotiveerd.

4.6. Het middel faalt.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de door mr. Zilver voorgestelde middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 september 2011.