Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP5361

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
10/01869
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP5361
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schending redelijke termijn in cassatie.Vuistregels HR LJN BD2578 m.b.t de redelijke termijn. In een geval waarin zowel de termijn waarbinnen de stukken moeten zijn ingezonden als de termijn waarbinnen uitspraak behoort te zijn gedaan zijn overschreden wordt bij de toe te passen vermindering slechts de overschrijding van één van die termijnen in aanmerking genomen en bij verschil de langste. HR ziet op dit moment geen aanleiding de in HR LJN BD2578 herijkte vuistregels aan te passen, nu deze vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, i.b. een zekere duurzaamheid moeten hebben en het vraagstuk inzake de toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de aandacht heeft van de wetgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/596
NJB 2011, 1007
NJ 2015/133 met annotatie van P. Mevis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 april 2011

Strafkamer

nr. 10/01869

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 november 2009, nummer 20/001620-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Vught" te Vught.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat te Roermond, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, met dien verstande dat die vermindering niet meer bedraagt dan de helft van de mate waarin de inzendingstermijn en de termijn van afdoening, tezamen genomen, zijn overschreden, en evenmin meer bedraagt dan zes maanden, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet ingevolge de vuistregels van HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van elf jaren. Bij die vermindering wordt in een geval als het onderhavige waarin zowel de termijn waarbinnen de stukken moeten zijn ingezonden als de termijn waarbinnen uitspraak behoort te zijn gedaan, slechts de overschrijding van één van die termijnen in aanmerking genomen en bij verschil de langste.

3.3. Genoemd arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 bevat enkele verfijningen en aanscherpingen van de vuistregels zoals die in HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000/721 zijn uiteengezet voor gewone strafzaken en in HR 9 januari 2001, LJN AA9372, NJ 2001/307 voor ontnemingszaken. Aan die uiteenzettingen bleek behoefte te bestaan omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen leidde tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn brengt mee dat die vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, in beginsel een zekere duurzaamheid moeten hebben. Daarbij komt dat het vraagstuk inzake de toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de aandacht heeft van de wetgever.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen, ziet de Hoge Raad op dit moment geen aanleiding deze aan te passen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze tien jaren en zeven maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 april 2011.