Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP4786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
10/01250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Art. 8:88 Awb. Beperkte mogelijkheden herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 397 met annotatie van Niessen-Cobben
FutD 2011-0395
V-N 2011/11.7
BNB 2011/119

Uitspraak

nr. 10/01250

18 februari 2011

Arrest

gewezen op het verzet van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 september 2010, nr. 10/01250, betreffende het verzoek tot herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 oktober 2007, nr. 42334 en van 28 mei 2004, nr. 39160, LJN AP0228, BNB 2004/249.

1. De uitspraak op het verzoek tot herziening

Bij arrest van 24 september 2010, nr. 10/01250, heeft de Hoge Raad na toepassing van artikel 8:88, lid 2, in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen het verzoek van belanghebbende tot herziening van het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007, nr. 42334, dat is gewezen op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 juni 2005, nr. 04/00965. Deze uitspraak betrof de aan belanghebbende over het jaar 1989 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2010 is aan dit arrest gehecht.

2. Het verzet

Belanghebbende heeft tegen het arrest van 24 september 2010 verzet gedaan. Het verzetschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift verzocht te worden gehoord. De Hoge Raad heeft belanghebbende daartoe in de gelegenheid gesteld ter zitting van 15 december 2010, alwaar belanghebbende is verschenen en gehoord.

3. Beoordeling van het verzet

3.1. Vooropgesteld dient te worden dat een verzoek tot herziening ingevolge artikel 8:88 van de Awb door een partij moet worden gedaan bij het rechtscollege dat de uitspraak heeft gedaan waarvan herziening wordt verzocht (zie HR 17 december 2004, nr. 40607, LJN AR7765, BNB 2005/84). Als gevolg daarvan kan een partij, indien zij herziening wenst van een uitspraak van een gerechtshof in een belastingzaak, geen daartoe strekkend verzoek indienen bij de Hoge Raad. Het procesrecht in belastingzaken wijkt in dit opzicht af van het strafprocesrecht, waarop belanghebbende zich in verzet kennelijk baseert.

3.2. Bij gelegenheid van de hoorzitting heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat zijn herzieningsverzoek niet alleen betrekking heeft op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007, nr. 42334, maar tevens op het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2004, nr. 39160, LJN AP0228, BNB 2004/249. Bij de beoordeling van het verzet heeft de Hoge Raad het herzieningsverzoek derhalve opgevat als te zijn gericht tegen beide voormelde arresten.

3.3. Voor zover hetgeen bij verzet is aangevoerd een nadere toelichting behelst van feiten en omstandigheden die bij het onderhavige verzoek tot herziening reeds zijn aangevoerd, biedt het geen grond voor een andere beslissing op het verzoek om herziening dan bij het arrest van 24 september 2010 is gegeven, nu die aangevoerde feiten belanghebbende vóór de arresten van de Hoge Raad reeds bekend waren. Voor het overige behelst het verzetschrift feiten die, indien zij de Hoge Raad vóór het wijzen van zijn arresten bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, in cassatie niet tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden (vgl. HR 12 maart 2004, nr. 39587, LJN AO5547, BNB 2004/226).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.