Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP4607

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
09/04717
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4607
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 361.4 Sv. Motivering afwijzing vordering tot schadevergoeding. Gelet op het feit dat de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 530,- heeft toegewezen ter vergoeding van de schade geleden tengevolge van de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten, had het Hof de afwijzing van de vordering, voor zover deze een bedrag van € 265,- te boven gaat, nader behoren te motiveren. Het middel is terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/551
NJ 2011/183
NJB 2011, 993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 april 2011

Strafkamer

nr. 09/04717

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juni 2009, nummer 22/001293-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Vermeirssen, advocaat te Goes, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft mr. M.W. Dieleman, advocaat te Middelburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat op het bestaande hoger beroep opnieuw op die vordering en inzake de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt beslist.

2. Beoordeling van het middel van de verdachte

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van het onder 2 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces". Dit formulier houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Datum en plaats/gemeente voorval

Datum Zondag 18 maart 2007 0.900 uur

Plaats/gemeente Middelburg

(...)

De schade die nog niet is/wordt vergoed en die in deze procedure wordt gevorderd bedraagt:

Totaal € 265.00"

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt onder meer het volgende in:

"[Betrokkene 1], wonende te [woonplaats], [a-straat 1], heeft zich door middel van een zogenaamd "voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van door haar wegens feit 2 en 4 geleden, nog niet vergoede schade tot een bedrag van € 530,00

(...)

De raadsman van de benadeelde partij verklaart:

Ik heb de oorspronkelijke vordering verdubbeld omdat er sprake is van herhaling."

3.2.3. Het vonnis in eerste aanleg houdt onder meer het volgende in:

"De politierechter verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(...)

2.

hij op 25 juli 2007, te Middelburg, gemeente Middelburg, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen de [a-straat] en in gebruik bij [betrokkene 1],;

4. parketnr. 707087/07

hij op 18 maart 2007, in de gemeente Middelburg, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel [betrokkene 1] in het gezicht heeft geslagen of gestompt en aan de haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

(...)

De benadeelde partij heeft aangetoond dat door haar tot een bedrag van € 530,00 schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde. De politierechter is van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 530,00 niet onrechtmatig of ongegrond is.

De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen."

3.2.4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat:

"2.

hij op 25 juli 2007, te Middelburg, gemeente Middelburg, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen de [a-straat] en in gebruik bij [betrokkene 1];

4.

hij op 18 maart 2007, in de gemeente Middelburg, opzettelijk mishandelend [betrokkene 1] in het gezicht heeft geslagen of gestompt en aan de haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

3.2.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2009 houdt onder meer het volgende in:

"Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman van de benadeelde partij mede dat (...) de vordering van de benadeelde partij wordt gehandhaafd op het in eerste aanleg gevorderde en ook toegewezen bedrag van € 530,-.

De raadsman van de verdachte betwist (deels) de vordering van de benadeelde partij.

(...)

De advocaat-generaal vordert (...) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het gevorderde bedrag van € 530,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel."

3.2.6. Het Hof heeft omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist:

"Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 265,-, welk bedrag ter terechtzitting in eerste aanleg is verhoogd tot € 530,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 530,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte (deels) betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde.

De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 265,-.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

(...)

BESLISSING

Het hof:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] tot een bedrag van € 265,- (tweehonderdvijfenzestig euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] voor het overige af."

3.3. Het ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 361, vierde lid, Sv, schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. Gelet op het feit dat de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 530,- heeft toegewezen ter vergoeding van de schade geleden tengevolge van de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten, had het Hof de afwijzing van de vordering, voor zover deze een bedrag van € 265,- te boven gaat, nader behoren te motiveren. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van haar aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 april 2011