Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP4476

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
09/02842
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4476
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht medeplegen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 april 2011

Strafkamer

nr. 09/02842

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2008, nummer 20/003741-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Serrarens, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vijfde middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft een van zijn mededaders opzettelijk dreigend een pistool (met geluidsdemper) op [slachtoffer] gericht en vervolgens met dat pistool langs een been van [slachtoffer] geschoten."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"Zo kan ik u nog vertellen, dat een jongen met de voornaam [slachtoffer], door [betrokkene 1] ernstig werd bedreigd. De gebroeders [verdachte en betrokkene 1] hadden namelijk een woning op de [a-straat] te Kerkrade, waarin ze verdovende middelen opsloegen. In die woning werd ingebroken en er werd weed gestolen. [Betrokkene 1] dacht eerst dus dat de inbraak was gepleegd door die [slachtoffer]. [Slachtoffer] werd opgehaald en meegenomen naar een van die woningen op de [b-straat]. Daar werd hij naar de zolder gebracht en in een hoek gezet. [Betrokkene 1] heeft mij dit zelf verteld. Hij vertelde dat hij een paar keer met een vuurwapen op die [slachtoffer] schoot, telkens met opzet naast hem. [Betrokkene 1] heeft mij dit uitgebreid en met trots verteld."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"De bedreiging was naar aanleiding van het feit dat [betrokkene 1] dacht dat ik in de woning aan de [a-straat] te Kerkrade had ingebroken. Volgens hem zou er weed verdwenen zijn dat van [betrokkene 1] was. Ik weet echter niet hoeveel weed dit was. [Betrokkene 1] belde mij toen en hij heeft mij gevraagd of ik naar hem toe wilde komen naar de [b-straat 1] te Kerkrade. Ik ben toen naar hem toegegaan met twee vrienden. In de [b-straat 1] ben ik naar boven gegaan en ik ben toen met [betrokkene 1] naar een kamer op de eerste verdieping gegaan. In de kamer waren een oudere man en [verdachte]. Zodra ik binnen was, deed [verdachte] of de oudere man de deur dicht. [Betrokkene 1] vroeg toen of ik had ingebroken in de woning aan de [a-straat] en of ik de weed had gestolen. Ik wist van niks. Op dat moment trok [betrokkene 1] een pistool en richtte dit op mij. Ik zei tegen hem dat hij het pistool weg moest doen en ik vroeg wat de bedoeling was en liep naar hem toe. [Betrokkene 1] schoot toen een keer langs mijn benen. Hij schoot langs mij door in de muur. Hij schoot slecht een keer langs mijn linker been. [Betrokkene 1] had een pistool met een geluidsdemper, ondanks de demper hoorde ik toch het schot. Mijn vrienden hoorden vermoedelijk dit schot en riepen iets van politie of zo. Hierop rende [betrokkene 1] langs mij heen naar beneden of naar buiten. Ik heb nog iets getrokken en geduwd met [verdachte]. Ik dacht dat dit verhaal in 2002 heeft gespeeld, dus vanaf vandaag zeker twee, twee en een halfjaar terug."

3.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte zo bewust en nauw met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen. De bewezenverklaring van feit 7 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vierde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 7 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2011.