Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP3963

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
10/01779
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP3963
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering b.p. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat wat betreft de door de b.p. geleden schade moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de b.p. zelf in het voegingsformulier verschafte gegevens en niet van het geruime tijd daarvóór opgemaakte p-v van bevindingen van de politie. Dat oordeel stoelt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de desbetreffende stukken en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/617
NJB 2011, 1004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 april 2011

Strafkamer

nr. 10/01779

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2010, nummer 22/003931-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Arnhem, locatie Arnhem-Zuid" te Arnhem.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], tot toewijzing van de vordering tot een totaalbedrag van € 49.424,19 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft toegewezen tot een bedrag van € 62.742,-.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren:

(i) een proces-verbaal van bevindingen, met nr. 15K1/2007/2833 (dossier AH/9/42), opgemaakt op 15 januari 2008 door de verbalisant [verbalisant 1], waarin is vermeld dat naar aanleiding van een verklaring van [benadeelde partij 1] het totale schadebedrag € 64.886,19 bedraagt.

(ii) een door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] op 14 juni 2008 ondertekend 'voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces' dat als schadebedrag vermeldt € 78.204,- en voorzien is van een toelichting bij de verschillende schadeposten.

2.3. De blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2010 door de raadsman overgelegde pleitnota houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] het volgende in:

"In zaaksdossier Beckerstraat (feit 37) bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen (AH/9/42) waarin een totale schadepost staat vermeld van € 64.886,19. Verbalisanten hadden het door de benadeelde partij opgegeven schadebedrag gecorrigeerd, na overleg met de benadeelde. Dit bedrag moet dus het uitgangspunt zijn. In dit zaaksdossier bevindt zich eveneens een verhoor van benadeelde [benadeelde partij 2], waaruit blijkt dat een aantal gestolen goederen zijn teruggevonden, welke zij herkent als de hare. Die goederen zijn of al teruggegeven of zullen worden teruggegeven (waar is het wachten op?!). De rechtbank heeft echter klakkeloos het door [benadeelde partij 2] gestelde bedrag ad. € 78.204 toegekend, terwijl hierop dus in ieder geval in mindering moet worden gebracht een bedrag van € 9.892 (ketting plus armband), alsmede een bedrag van € 3.500 (dameshorloge). In plaats van bijna € 80.000, moet het bedrag in ieder geval worden teruggebracht tot € 51.494,19."

2.4. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft het Hof als volgt overwogen en beslist:

"Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 37 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 78.204,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, omdat een aantal goederen weer terug zijn gegeven aan de benadeelde partij.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade tot een bedrag van EUR 62.742,- is geleden rekening houdend met de door de politie aangetroffen goederen (Breitling horloge, Rolex dameshorloge, een witgouden collier en een wit gouden armband) en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 37 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dit bedrag worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken."

2.5. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat wat betreft de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (en diens partner [benadeelde partij 2]) geleden schade moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de benadeelde partij zelf in het voegingsformulier verschafte gegevens en niet van het geruime tijd daarvóór opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de politie. Dat oordeel, dat stoelt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de desbetreffende stukken, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 april 2011.