Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP3879

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
10/00654
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP3879
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4545, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Art. 15 Wet Vpb 1969. Aankoopkosten van bij verwerving gevoegde dochtervennootschap niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2011/50 met annotatie van W.C.M. Martens
V-N 2011/23.15 met annotatie van Redactie
BNB 2011/185 met annotatie van R.J. DE VRIES
Futd 2011-1019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 10/00654

29 april 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 18 januari 2010, nr. AWB 08/5260 VPB, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover daarin is nagelaten aan belanghebbende een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten toe te kennen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar en de uitspraak op bezwaar voor het overige bevestigd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 20 januari 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft op 17 juni 2003 alle aandelen verworven in F B.V. (hierna: de dochtervennootschap). Op 12 september 2003 hebben belanghebbende en de dochtervennootschap verzocht te worden aangemerkt als fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met ingang van 17 juni 2003. De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking toegewezen.

3.2.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verwerving en de voeging van het belang in de dochtervennootschap niet samenvallen, dat vóór de vorming van een fiscale eenheid sprake was van een door belanghebbende gehouden deelneming in de dochtervennootschap en dat de latere vorming van de fiscale eenheid niet eraan in de weg staat dat op de aankoopkosten van het belang in de dochtervennootschap de deelnemingsvrijstelling wordt toegepast, zodat deze kosten niet in mindering kunnen worden gebracht op de belastbare winst van belanghebbende.

3.2.2. Het middel richt zich tegen dit oordeel.

3.3. Met het opnemen in de wet van de bepaling dat de kosten ter zake van de verwerving van een deelneming niet aftrekbaar zijn, heeft de wetgever beoogd de aankoopkosten van een belang dat voldoet aan de in artikel 13, lid 2, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) gestelde vereisten van aftrek uit te sluiten. Niet in geschil is dat het belang dat belanghebbende in de dochtervennootschap heeft verworven, voldeed aan de omschrijving van artikel 13, lid 2, aanhef en letter a, van de Wet. Het oordeel van de Rechtbank dat de onderhavige aankoopkosten niet voor aftrek in aanmerking komen, is derhalve juist. Daaraan doet niet af dat de dochtermaatschappij vervolgens onmiddellijk na de verwerving werd opgenomen in een fiscale eenheid met belanghebbende. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, J.A.C.A. Overgaauw en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2011.