Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP2972

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
08/03536
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verordening binnenhavengelden 2002 gemeente Meppel. Een enkele keerbeweging levert geen gebruik van de haven op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 537 met annotatie van Borghols
FutD 2011-0276
V-N 2011/9.24
Belastingblad 2011/294
BNB 2011/134 met annotatie van Bosma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 08/03536

4 februari 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 juli 2008, nr. 07/00085, betreffende het na te melden van belanghebbende geheven bedrag aan binnenhavengeld.

1. Het geding in feitelijke instanties

Van belanghebbende is bij een als naheffingsaanslag aan te merken factuur een bedrag aan binnenhavengeld van de gemeente Meppel geheven over de periode 22 februari 2002 tot en met 1 maart 2002. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Meppel bij uitspraak het geheven bedrag gehandhaafd.

De Rechtbank te Assen (nr. 05/826 HAVGLD) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. De Verordening binnenhavengeld 2002 van de gemeente Meppel (hierna: de Verordening) bepaalt onder meer het volgende:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Haven

De voor de openbare dienst bestemde wateren en de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer en/of onderhoud zijn, zoals deze zijn aangegeven op de bij de verordening behorende kaart;

(...)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "binnenhavengeld" wordt een recht geheven ter zake van het gebruik met een vaartuig van de haven of het genot van door of vanwege de gemeente verstrekte diensten.

(...)

Artikel 6 Wijze van heffing

1) Het binnenhavengeld wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

2) Aangifte wordt mondeling, danwel schriftelijk gedaan.

(...)

Artikel 9 Aangifte

1) De aangifte wordt, gelijktijdig met de betaling gedaan bij de havenmeester.

2) Het binnenhavengeld moet overeenkomstig de aangifte aan de havenmeester worden betaald op de eerste werkdag volgende op de dag van aankomst van het vaartuig in de haven, doch vóór het tijdstip waarop het vaartuig uit de haven vertrekt.

(...)

3.1.2. Belanghebbende heeft met een vrachtschip in de periode 22 februari 2002 tot en met 1 maart 2002 het Meppelerdiep en de Drentsche Hoofdvaart bevaren met het doel het aan de Drentsche Hoofdvaart gelegen op- en overslagbedrijf B B.V. (hierna: B) te bezoeken. Het schip naderde vanuit de richting Zwartsluis en vertrok na het bezoek aan B in de richting vanwaar het gekomen was.

3.1.3. Op de heen- of terugvaart heeft het vrachtschip een keerbeweging gemaakt. Daartoe is het een tiental meters de Wachthaven of de Sethehaven ingevaren, en vervolgens weer uitgevaren, zonder dat het schip daarbij een ligplaats heeft genomen. Deze keerbeweging vergde telkens ongeveer vijf minuten.

3.1.4. De Wachthaven en de Sethehaven zijn in onderhoud of beheer bij de gemeente Meppel en behoren tot de voor de openbare dienst bestemde wateren.

3.1.5. Belanghebbende heeft voor de onderhavige periode geen binnenhavengeld op aangifte betaald.

3.2.1. De middelen I en II betreffen de vraag of belanghebbende met haar vaartuig gebruik heeft gemaakt van de haven in de zin van artikel 2 van de Verordening. In dat verband betogen deze middelen in de eerste plaats dat het Meppelerdiep en de Drentsche Hoofdvaart niet behoren tot deze haven, omdat deze wateren niet bij de gemeente Meppel in beheer of onderhoud zijn. Verder betogen deze middelen dat het kortstondig gebruik van de Sethehaven of de Wachthaven in verband met het keren niet kan worden aangemerkt als gebruik in de zin van voormeld artikel 2.

3.2.2. Het Hof heeft in het midden gelaten of het gebruik van het Meppelerdiep en de Drentsche Hoofdvaart in de heffing kan worden betrokken. De in 3.1.3 beschreven keerbewegingen hebben kennelijk naar het oordeel van het Hof reeds tot gevolg dat zich een belastbaar feit in de zin van de Verordening heeft voorgedaan.

3.2.3. Artikel 9 van de Verordening schrijft voor dat aangifte en betaling van het binnenhavengeld moeten plaatsvinden bij de havenmeester op de eerste dag volgende op de dag van aankomst van het vaartuig in de haven, doch vóór het tijdstip waarop het vaartuig uit de haven vertrekt. Dit voorschrift laat zich niet rijmen met heffing van binnenhavengeld wegens het enkele maken van een keerbeweging als de onderhavige. Voorts voorziet de tarieventabel behorende bij de Verordening in termijnen waarover de belasting verschuldigd wordt. Voor vaartuigen die geen pleziervaartuig zijn variëren die termijnen van zeven dagen of een week tot een jaar, en voor pleziervaartuigen van één overnachting tot één jaar. Ook deze termijnen vormen een aanwijzing dat de gemeentelijke wetgever het oog heeft gehad op een gebruik dat de vorm aanneemt van een niet geheel voorbijgaand verblijf.

3.2.4. Gelet op het hiervoor onder 3.2.3 overwogene moet worden aangenomen dat het begrip gebruik in artikel 2 van de Verordening slechts ziet op een niet geheel voorbijgaand verblijf in de haven dat gepaard gaat met het nemen van een ligplaats in die haven (door middel van ankeren of meren). Dit brengt mee dat het in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting.

3.2.5. Nu belanghebbende met haar schip wel heeft aangemeerd aan de oever bij B, moet verwijzing volgen ter beantwoording van de vraag of het deel van dat vaarwater waar het aanmeren plaatsvond bij de gemeente Meppel in beheer of onderhoud was. In dit verband verdient opmerking dat geen sprake is van beheer in de zin van artikel 229, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet indien de gemeente ter plaatse alleen het bevoegd gezag uitoefent en nautische aanwijzingen kan geven. Voorts verdient opmerking dat bij de gemeente in onderhoud zijn in de zin van voormeld artikel

mede omvat het onder verantwoordelijkheid van de gemeente doen uitvoeren van onderhoud.

3.2.6. Voor zover de gemeente de heffing van binnenhavengeld van belanghebbende subsidiair wenst te baseren op het genot van door of vanwege de gemeente verstrekte diensten in de zin van artikel 2 van de Verordening, verdient opmerking dat heffing ter zake daarvan slechts kan plaatsvinden indien de verleende diensten behoren tot een categorie die in de tarieventabel genoemd wordt.

3.3. Middel III gaat uit van de veronderstelling dat het binnenhavengeld geheven mag worden ter zake van het enkele in- en uitvaren van de Sethehaven of de Wachthaven, en heeft aldus een subsidiair karakter. Dit middel behoeft na het vorenoverwogene geen behandeling meer.

4. Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 08/03534, 08/03535, 08/03537 en 08/03538 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de gemeente Meppel aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 433, en

veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vijfde van € 1932, derhalve € 386,40, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2011.