Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP2959

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
08/03534
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verordening binnenhavengelden 2002 gemeente Meppel. Een enkele keerbeweging levert geen gebruik van de haven op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/9.25 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2011/297
BNB 2011/133 met annotatie van S. BOSMA
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 08/03534

4 februari 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 juli 2008, nr. 07/00082, betreffende het na te melden van belanghebbende geheven bedrag aan binnenhavengeld.

1. Het geding in feitelijke instanties

Van belanghebbende is bij een als naheffingsaanslag aan te merken factuur een bedrag aan binnenhavengeld van de gemeente Meppel geheven over de periode 28 februari 2004 tot en met 6 maart 2004. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Meppel bij uitspraak het geheven bedrag gehandhaafd.

De Rechtbank te Assen (nr. 05/825 HAVGLD) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. De Verordening binnenhavengeld 2004 van de gemeente Meppel (hierna: de Verordening) bepaalt onder meer het volgende:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Haven:

De voor de openbare dienst bestemde wateren en de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer en/of onderhoud zijn, zoals deze zijn aangegeven op de bij de verordening behorende kaart;

(...)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "binnenhavengeld" wordt een recht geheven ter zake van het gebruik met een vaartuig van de haven of het genot van door of vanwege de gemeente verstrekte diensten.

(...)

Artikel 6 Wijze van heffing

1) Het binnenhavengeld wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

3.1.2. Een kaart als bedoeld in artikel 1 van de Verordening waarop de wateren zijn aangegeven die de haven vormen als bedoeld in dat artikel, is niet bij de Verordening gevoegd.

3.1.3. Belanghebbende heeft met een vrachtschip in de periode 28 februari 2004 tot en met 6 maart 2004 het Meppelerdiep en de Drentsche Hoofdvaart bevaren met het doel het aan de Drentsche Hoofdvaart gelegen op- en overslagbedrijf B B.V. te bezoeken. Het schip naderde vanuit de richting Zwartsluis en vertrok na het bezoek aan dat bedrijf in de richting vanwaar het gekomen was.

3.1.4. Op de heen- of terugvaart heeft het vrachtschip een keerbeweging gemaakt. Daartoe is het een tiental meters de Wachthaven of de Sethehaven ingevaren, en vervolgens weer uitgevaren. Deze keerbeweging vergde telkens ongeveer vijf minuten.

3.1.5. Belanghebbende heeft voor de onderhavige periode geen binnenhavengeld op aangifte betaald.

3.2.1. Het Hof heeft vastgesteld dat bij het door de heffingsambtenaar ingediende afschrift van de Verordening geen kaart was gevoegd als bedoeld in artikel 1 van de Verordening. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de heffingsambtenaar heeft meegedeeld dat niet ieder jaar een nieuwe kaart is vastgesteld. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het Hof het er voor houdt dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in de Verordening te bepalen dat de daarbij behorende kaart dezelfde is als die welke behoort bij een eerdere verordening binnenhavengeld. Tegen dat oordeel keert zich Middel I.

3.2.2. Noch uit de tekst van de Verordening, noch uit de uitspraken van de Rechtbank of het Hof, noch uit de andere stukken van het geding valt op te maken dat de gemeenteraad van die door het Hof veronderstelde bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dat brengt mee dat de Verordening niet is voorzien van een kaart als bedoeld in artikel 1. Derhalve ontbreekt een adequate omschrijving van het belastbare feit zodat op de Verordening geen heffing kan worden gebaseerd. Middel I slaagt derhalve.

3.2.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen

behandeling.

4. Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 08/03535, 08/03536, 08/03537 en 08/03538 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 08/03535 en 08/03538 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de heffingsambtenaar en de naheffingsaanslag,

gelast dat de gemeente Meppel aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 433, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 428, en gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 276, derhalve in totaal € 1137,

veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vijfde van € 1932, derhalve € 386,40, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof, voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar, vastgesteld op een derde van € 1771, derhalve € 590,33, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2011.