Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP2715

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
09/04506
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP2715
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BG8095, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht vw opzet zwaar lichamelijk letsel. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BI 4736 m.b.t. vw opzet. De enkele omstandigheid dat de kopstoot door verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer ten gevolge van die kopstoot achterover viel, vormt onvoldoende grond voor vw opzet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 823
NBSTRAF 2011/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2011

Strafkamer

nr. 09/04506

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 december 2008, nummer 20/002213-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 3 juli 2006 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] een zogenaamde kopstoot tegen diens neus heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik ben op 3 juli 2006 met mijn broer [betrokkene 1] in een auto naar de woning van [slachtoffer] aan de [a-straat] te Gemert gereden. Mijn broertje [betrokkene 2] en mijn neefje [betrokkene 3] zijn op die dag lopend naar die woning gegaan.

Eén van de jongens heeft bij de woning aangebeld. We stonden met 4 man voor de woning."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 3 juli 2006 rond 19:15 uur hoorde ik de deurbel gaan van onze woning. Ik deed aan de zijkant van onze woning de poortdeur open. Ik zag dat er 4 jongens stonden. Eén ervan herkende ik als de bestuurder die ik eerder die dag had aangesproken op zijn asociale rijgedrag. Deze sprak mij aan op hetgeen er vanmiddag was gebeurd. Ik hoorde dat die jongen zei dat ik schade had gereden aan de personenauto die hij vanmiddag had bestuurd. Ik zei dat als dat zo was ik deze dan ook gewoon wilde vergoeden. Mijn vrouw stond erbij toen ik dat zei. We stonden op de achterplaats en de jongens liepen onze achterplaats op. Mijn vrouw maakte hier een opmerking over en zei dat ze bij de poort moesten blijven staan. Er is toen een woordenwisseling ontstaan. Omdat ik hoorde dat één van die jongens tegen mijn vrouw riep dat ze haar kop moest houden of anders een kopstoot kon krijgen, werd ik kwaad. Nog voordat ik het in de gaten had kreeg ik een harde kopstoot op mijn neus en viel ik achterover op de grond. Ik ben toen opgestaan en direct naar mijn schuur geopen om daar een koevoet te pakken. Met deze koevoet heb ik de 4 jongens van onze achterplaats gejaagd. De jongen van wie ik een kopstoot heb gekregen had kort donkerkleurig haar en lange bakkebaarden. Hij had kistjes aan die onder het cement zaten.

Ten gevolge van de kopstoot bloedde mijn neus hevig. Ik heb het bloeden kunnen stelpen met een handdoek. Verder heb ik een verwonding aan mijn rechter elleboog.

Noot verbalisant: De handdoek is geheel doorweekt met bloed en de elleboog van aangever is opgezwollen en er zit een schaafwond op."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Gemert is gelegen in de gemeente Gemert-Bakel."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Op 3 juli 2006 rond 19:15 uur kwamen vier mannen bij ons woonadres aan de poort. Eén ervan heeft eerst gebeld aan de voordeurbel, maar mijn man heeft toen de poort aan de zijkant van het huis geopend. Ik zag dat het dezelfde bestuurder was die eerder die dag mij en mijn kinderen bijna omver had gereden. Ik hoorde dat die jongen zei dat hij schade had aan zijn auto en dat deze vergoed moest worden.

Ik zag dat mijn man zonder enige aanleiding van één van de mannen een kopstoot in zijn gezicht kreeg. Ik zag dat mijn man achterover op de grond viel. Ik zal dat mijn man hevig uit zijn neus bloede. Mijn man is toen opgestaan en naar de schuur gelopen. Mijn man kwam toen met een koevoet in de richting van de poort gelopen om deze jongens weg te jagen. Deze renden toen weg. Er zijn er twee weggerend. De anderen zijn in een auto gestapt en weggereden. Die man die de kopstoot had gegeven zat in de auto die wegreed. De man die de kopstoot had gegeven had donker kort haar en grote bakkebaarden en droeg een Capribroek en bouwkisten die onder het cement zaten."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Door mij is een paspoortfoto van verdachte [verdachte] bij de gemeente Gemert-Bakel opgevraagd en aan aangever [slachtoffer] en de getuige [betrokkene 4] getoond."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"De foto die u mij nu toont is de man die mij op 3 juli 2006 omstreeks 19.15 uur een kopstoot gaf [het hof leest in: bij mijn] woning. Ik herken hem voor 100% terug er is geen twijfel over mogelijk. Mijn neus is ten gevolge van deze kopstoot zwaar gekneusd."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Ik herken de man op de foto die u mij nu toont voor de volle 100% terug als de man die op 3 juli 2006 omstreeks 19.15 uur mijn man een kopstoot gaf."

h. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"[verdachte] droeg op 3 juli 2006 de volgende kleding:

- Bouwkisten waarop cementresten zaten;

- Capribroek;

- Lange bakkebaarden."

i. de verklaring van de getuige [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik kan me herinneren dat wij via de meldkamer het verzoek kregen naar een adres in Gemert te gaan. Op dat adres zou een man mishandeld zijn. U houdt mij voor dat uit het procesverbaal van politie (noot griffier: pagina 5 PV Politie) volgt dat dit op 3 juli 2006 is geweest. Als ik dat heb gerelateerd, dan klopt dat. Ik ben met mijn collega [verbalisant 2] naar het adres van de aangever in Gemert gegaan. Daar hebben wij aangever [slachtoffer] en zijn echtgenote gesproken. Vervolgens zijn wij naar het adres van de verdachte gegaan. Dit was ook in Gemert. Ik kan me herinneren dat op dat adres een vrouw en twee jongens in de tuin zaten te barbecueën. Die twee jongens kwamen overeen met de signalementen die door de aangever en zijn echtgenote waren gegeven. Die twee jongens gaven aan dat er bij het voorval dat zich kort daarvoor had afgespeeld nog twee jongens aanwezig waren geweest. Die twee jongens zijn toen gebeld en zijn ook gekomen. Toen die andere twee jongens er ook waren, hebben mijn collega en ik de vier jongens aangehouden.

[Verdachte] voldeed vrijwel geheel aan het door de aangever en zijn echtgenote opgegeven signalement. Ik kan me herinneren dat de schoenen die hij droeg ook voldeden aan het opgegeven signalement. Daarom heb ik het door u voorgehouden proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (...). Ik heb de andere drie jongens, te weten [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], die dag ook gezien. Zij voldeden niet aan het door de aangever en zijn echtgenote opgegeven signalement van de man die aangever [slachtoffer] een kopstoot had gegeven. Als één of meerdere van deze jongens ook hadden voldaan aan het opgegeven signalement, dan zou ik dat zeker hebben gerelateerd.

Alleen [verdachte] had die dag bouwkisten aan, waar cementresten op zaten. Als één van de andere jongens ook bouwkisten met cementresten aan had gehad, had ik dat gerelateerd."

j. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Wij zijn vandaag naar de [a-straat] [het hof begrijpt: in Gemert] gegaan. Ik en [verdachte] zijn met de auto gekomen, terwijl [betrokkene 2 en 3] te voet zijn gekomen. De man heeft de poort geopend. Wij, ik en [verdachte], hebben ons in het gesprek gemengd. Ik zag dat er tussen [verdachte] en die man geduwd werd. De man is toen naar binnen gerend. Ik zag dat de man met een koevoet naar buiten kwam gelopen."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"- Op de avond van 3 juli 2006 is verdachte met [betrokkene 1] met de auto naar de woning van [slachtoffer] in Gemert gereden. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn die avond naar die woning gelopen.

- Op het moment dat [slachtoffer] de poortdeur aan de zijkant van de woning opende, zag hij vier jongens staan. Tussen [slachtoffer] en diens echtgenote [betrokkene 4] en de vier jongens is een woordenwisseling ontstaan. Op enig moment kreeg [slachtoffer] van één van de vier jongens een harde kopstoot en viel achterover op de grond. [Slachtoffer] heeft de jongens vervolgens met een koevoet, die hij uit de schuur had gepakt, weggejaagd.

- De jongen die [slachtoffer] een kopstoot had gegeven had kistjes aan waar cement op zat, had donker haar, lange bakkebaarden en is met één van de andere jongens in de auto gestapt en weggereden. De overige twee jongens zijn weggerend.

- [Slachtoffer] en [betrokkene 4] hebben verdachte bij een enkelvoudige fotoconfrontatie voor 100% herkend als de persoon die [slachtoffer] op 3 juli 2006 een kopstoot heeft gegeven.

- Tijdens het verhoor van verdachte op 3 juli 2006 heeft [verbalisant 1], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, - die op 3 juli 2006 kort na de aangifte alle vier de jongens heeft gezien - geconstateerd dat verdachte bouwkisten (schoenen) aan had waarop cementresten aanwezig waren, dat verdachte kort zwart haar had en dat verdachte lange bakkebaarden had. De drie andere jongens voldeden volgens [verbalisant 1] voornoemd niet aan dat signalement. Was dit wel zo geweest, dan had hij dit zeker in het door hem ter zake opgemaakte proces-verbaal van bevindingen gerelateerd.

- [Betrokkene 1] heeft gezien dat er fysiek contact tussen [slachtoffer] en verdachte is geweest, voordat [slachtoffer] de koevoet uit de schuur pakte.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien ook met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op 3 juli 2006 te Gemert een kopstoot heeft gegeven. Anders dan door de verdediging is betoogd kan de door verdachte aan [slachtoffer] gegeven kopstoot, naar het oordeel van het hof, gelet op de omstandigheid dat de kopstoot met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat aangever [slachtoffer] ten gevolge van die kopstoot achterover viel, worden aangemerkt als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zoals bewezen is verklaard. Verdachte heeft dusdoende de kans op het intreden van het bewezen verklaarde gevolg, welke kans naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten, willens en wetens aanvaard."

2.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten (vgl. HR 29 september 2009, LJN BI4736, NJ 2010/117).

2.4. De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de kopstoot door de verdachte met kracht

is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer ten gevolge van die kopstoot achterover viel, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 maart 2011.