Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP2630

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
09/02069
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP2630
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 249.2.3º Sr. 1. “werkzaam in de maatschappelijke zorg” en “aan zijn hulp hebben toevertrouwd” a.b.i. genoemde bepaling. 2. “ontucht” a.b.i. genoemde bepaling. Ad 1. De HR stelt voorop dat met de strafbaarstelling in art. 249.2.3° Sr van “degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd” is beoogd ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de genoemde hulpverleners. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1999/482 en HR LJN AJ1188. ’s Hofs oordeel, dat is gegrond op zijn vaststellingen en de aard van de verrichtingen van verdachte, dat verdachte in de maatschappelijke zorg werkzaam was en dat de cliënten zich aan zijn hulp hebben toevertrouwd, is onjuist noch onbegrijpelijk. Anders dan in de toelichting op het middel is aangevoerd, doet niet ter zake of aan die verrichtingen een zakelijke overeenkomst dan wel een behandelovereenkomst ten grondslag ligt, en doet aan ’s Hofs oordeel niet af dat die verrichtingen niet door een zorgverzekeraar worden vergoed en dat verdachte niet is aangesloten bij een overkoepelende vakorganisatie in de zorgsector. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1997/485. Gelet hierop getuigt ’s Hofs kennelijke oordeel dat een uitzondering a.b.i. genoemd arrest zich hier niet voordoet, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de omstandigheid dat verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat zijn handelingen deel uitmaakten van de door hem toegepaste behandelmethode en door de cliënten vrijwillig werden ondergaan, nu die omstandigheid als zodanig de in genoemd arrest bedoelde vorm van afhankelijkheid niet aantast.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/143
RvdW 2011/434
NJB 2011, 817
NBSTRAF 2011/137
VA 2012/24 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2011

Strafkamer

Nr. 09/02069

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 2009, nummer 23/003420-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing of verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 3 november 2005 tot en met 31 juli 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, terwijl hij toen, als mental coach, werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1], die zich als cliënt aan verdachtes' hulp had toevertrouwd, immers heeft zijn mededader voornoemde persoon bij de anus aangeraakt

en

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 20 november 2006 te Amsterdam, terwijl hij toen, als mental coach, werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2], die zich als cliënt aan verdachtes' hulp had toevertrouwd, immers heeft hij met voornoemde persoon geslachtsgemeenschap gehad en heeft hij voornoemde persoon getongzoend en bij de vagina en anus gestreeld en heeft hij voornoemde persoon, hem, verdachte, oraal laten bevredigen;

en

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 20 november 2006 te Amsterdam, terwijl hij toen, als mental coach, werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3], die zich als cliënt aan verdachtes' hulp had toevertrouwd, immers heeft hij met voornoemde persoon geslachtsgemeenschap gehad en heeft hij voornoemde persoon getongzoend en bij de vagina en anus gestreeld en heeft hij voornoemde persoon, hem, verdachte, oraal laten bevredigen;

en

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 20 november 2006 te Amsterdam, terwijl hij toen, als mental coach, werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 4], die zich als cliënt aan verdachtes' hulp had toevertrouwd, immers heeft hij voornoemde persoon bij de vagina aangeraakt."

2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik ben nu ruim dertig jaar werkzaam als mental coach. Een mental coach is iemand die mensen helpt hun mentale gedeelte op orde te brengen. Mijn praktijk zit vanaf het begin in de [a-straat] in Amsterdam. In die jaren heb ik misschien wel rond de 100.000 cliënten gehad. Er waren perioden dat ik wel negen klanten per dag had.

Bij [slachtoffer 2] was er een balansverstoring die hersteld moest worden. Als iemand kenbaar maakte dat hij of zij niet goed in haar vel zat, dan werd zo iemand naar mij verwezen. U houdt mij de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voor en waarom zij bij mij kwamen. Dat zal wel kloppen. De procedure is van persoon tot persoon verschillend. Er wordt veel gepraat. Ik geef aan waar de knooppunten en blokkades zitten. Ik maak mondeling een stappenplan met de cliënt.

U houdt mij de aangifte van [slachtoffer 1] voor. Samen met [medeverdachte] had ik het eerste contact met hem. Eén van ons stond aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteneinde."

b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Het is juist dat ik in de periode van 1 januari 1996 tot en met 20 november 2006 met de op de vordering inbewaringstelling genoemde personen (het hof begrijpt onder anderen: [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]) seksueel getinte contacten heb gehad. Met sommigen had ik geslachtsgemeenschap. Ook heb ik van sommigen van de genoemde personen de anus en/of vagina aangeraakt."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

"Op een gegeven moment besloot ik om een afspraak met [verdachte] te maken. Ik had diverse problemen waarvoor ik een oplossing zocht en waarbij ik een professionele hulpverlener nodig had. In de eerste sessie vertelde [verdachte] mij dat ik op de rand van een zenuwinstorting was en dat mijn energie zo vreselijk buiten verhouding en ongebalanceerd was. [verdachte] zou mij helpen om mijn gedachten te schonen. Later vertelde [verdachte] mij dat hij kon zien dat er een energielek in mijn hoofd zat. Op een keer voelde ik dat [verdachte] mijn hoofd beetpakte en zijn kruis tegen mijn hoofd aan duwde. Hij zei dat hij dit deed om mijn energielekkage aan mijn hoofd te dichten.

Tijdens een afspraak ging [verdachte] naast mij op de massagetafel liggen en begon hij mij te kussen. Ik dacht dat het een energieoverdracht was via mijn mond. Ik voelde zijn mond en tong bewegen. Bij een van de volgende behandelingen moedigde [verdachte] mij aan om te reageren op zijn kussen omdat dit zou helpen met de genezing. Hij was toen spiernaakt. Hij begon toen seksuele gemeenschap met mij te hebben. Hij heeft me toen vaginaal gepenetreerd. De door mij genoemde seksuele therapie heeft plaatsgevonden tussen 18 juli 2005 en 9 augustus 2006. Vanaf 18 juli 2005 begonnen de seksuele aanrakingen. De daadwerkelijke seksuele gemeenschap vond plaats in de week na 2 augustus 2005. In deze week had [verdachte] bij elke behandeling seks met mij. [Verdachte] legde mij keer op keer uit dat dit de meest effectieve manier was om mijn tekort aan energie aan te vullen. In het najaar van 2005 zei [verdachte] dat ik naar de sauna moest komen. In het stoombad betastte [verdachte] mij op een seksuele manier en wel bij mijn geslachtsdelen. Ook werd ik aangemoedigd om zijn penis aan te raken en orale seks met hem te hebben, hetgeen ik ook deed. Tot en met december 2005 betaalde ik [verdachte] per sessie. De behandelingen vonden allemaal plaats in Amsterdam. Het betreft zo'n 34 behandelingen."

d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

"Ik heb geslachtsgemeenschap met [verdachte] gehad, waarmee ik bedoel penetratie door de penis in de vagina. Ook heeft hij mij getongzoend, mijn vagina en anus gestreeld en zich oraal door mij laten bevredigen. Dit moest ik van hem doen."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

"Omdat ik al langer op zoek was naar een geschikte therapeut wilde ik een keer een afspraak met [verdachte] maken. Ik was veertig geworden en was over bepaalde dingen in mijn leven gewoon niet gelukkig. De eerste afspraak in de [a-straat 1-2] te Amsterdam verliep als een gewoon gesprek. [Verdachte] waarschuwde mij dat ik mijn leven totaal moest veranderen. Ik zou in een crisis en in gevaar verkeren. Ik betaalde [verdachte] in het begin per weekend. Ik betaalde [verdachte] dan € 70,--."

f. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

"Ik heb [verdachte] bezocht in het weekend van Oud en Nieuw. Of ik nu voor het eerst lichamelijk contact met hem had op 31 december 2005 of op 1 januari 2006 weet ik niet meer. Ik liet de seksuele handelingen die hij met mij pleegde toe, omdat ik openstond voor bijzondere hulp. Omdat hij een vertrouwenwekkende en geruststellende sfeer creëerde heb ik toegelaten dat hij mijn naakte lichaam zeer intensief streelde, dat hij mij tongzoende en dat hij boven op mij ging liggen.

Ik heb geslachtsgemeenschap met hem gehad. Hij heeft mij getongzoend. Hij heeft mij over en bij mijn vagina en mijn anus gestreeld en ik heb hem oraal bevredigd. Het zal medio juni (het hof begrijpt: 2006) geweest zijn dat ik de [a-straat] en [verdachte] achter mij liet."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"In het najaar van 2005 kreeg ik via een vriendin/collega de naam [verdachte] aanbevolen om hem voor coaching te raadplegen. Ik wilde een soort gesprekspartner hebben bij het nemen van beslissingen en het maken van keuzes. Ik kan zeggen dat ik op dat moment enigszins uit balans was. Ik heb [verdachte] benaderd met de vraag om hulp en advies bij mijn carrière. Op 3 november 2005 bezocht ik [verdachte] voor het eerst. Ik heb hem in totaal vier keer bezocht in zijn praktijk in Amsterdam. Ik probeerde de vraag zo duidelijk mogelijk te stellen. Dat was dus de vraag over de organisatie van mijn werk en het maken van keuzes. [Verdachte] vertelde mij dat hij mij kon helpen. Hij vertelde mij dat ik allerlei andere problemen had, waar ik eerst aan moest gaan werken, voordat dat andere verhaal aangepakt kon worden.

Ik betaalde voor het tweede gesprek € 70,--. Voor het derde gesprek betaalde ik wederom € 70,--.

Op 31 juli 2006 had ik mijn laatste afspraak met [verdachte] aan de [a-straat 1] te Amsterdam. In zijn werkruimte was die middag een vrouw, [medeverdachte], die mij moest gaan masseren. Ik moest me naakt uitkleden."

h. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"Tijdens de vierde afspraak lag ik op een behandeltafel. Ik was geheel ontkleed en een zekere [medeverdachte] moest mij masseren van [verdachte]. De massage was duidelijk gericht op het opwekken van lustgevoelens. Zij moest mij opwinden. [Verdachte] zei tegen haar: "We gaan hem opzwepen tot hij een stijve krijgt." Bij die manipulaties heeft [medeverdachte] mijn anus betast."

i. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4]:

"U vraagt mij naar een ervaring die ik heb gehad met een man die zich coach noemt. Deze therapeut heet [verdachte] en zijn praktijkruimte bevond zich in de [a-straat] (het hof begrijpt: te Amsterdam).

Een jaar of vier/vijf geleden kreeg ik weer contact met [betrokkene 1]. Ik vertelde [betrokkene 1] over mijn leven. Ik was op dat moment op een vervelend moment in mijn leven omdat ik veel dingen had meegemaakt. Mijn zusje had schizofrenie ontwikkeld en een paar heftige psychoses gehad en zelf had ik een verkeersongeval gehad, waardoor ik erg was beschadigd. Ik was hierdoor erg uitgeput. [Betrokkene 1] belde op een gegeven moment [verdachte] en vroeg of hij tijd voor mij had. Volgens mijn gevoel was de afspraak met [verdachte] kort hierna. Ik ben naar de [a-straat] toegegaan. Op de deur stond dat [verdachte] zich coach noemde. Op een gegeven moment stelde [verdachte] voor dat ik op een massagetafel zou gaan liggen. [Verdachte] zei dat hij mij een energiestroom wilde laten voelen. Hij hield een hand op mijn kruis, aan de zijkant, ter hoogte van mijn clitoris. Ik heb € 55,- betaald."

2.3. Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:

"De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de werkzaamheden van de verdachte als mental coach niet naar hun aard zo in één lijn met de reguliere gezondheidszorg liggen dat sprake is van werkzaamheden in de gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 249 lid 2 sub 3 Wetboek van Strafrecht (Sr), werkzaamheden waarbij degenen met wie de verdachte werkte zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg hadden toevertrouwd. (...) Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat er geen sprake is van ontucht in de zin van artikel 249 lid 2 sub 3 Sr nu aan de mensen die zich tot de verdachte wendden de zorg is geboden waar zij voor kwamen, die in het kader van de begeleiding van verdachte passend en voor alle betrokkenen duidelijk was. Los van de gesprekken die de verdachte met deze mensen voerde, zijn er handelingen uitgevoerd die onderdeel uitmaakten van de behandelmethode, die per persoon verschillend was en afhankelijk waren van de problematiek aldus de raadsvrouw. Deze handelingen hadden volgens de raadsvrouw geen seksuele strekking en daarbij was sprake van duidelijkheid en vrijwilligheid. Tot slot betoogt de raadsvrouw dat er geen sprake was van ontucht, juist omdat de -mogelijk seksueel getinte, of als seksueel ervaren- aanrakingen en massages onderdeel van de begeleiding uitmaakten, vooraf werden besproken en men daarmee instemde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 249, tweede lid onder 3° Sr bepaalt dat strafbaar is: "degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd."

De wettekst en ook de uitleg in de Memorie van Toelichting (MvT, kamerstukken II1988/89,20 930 nr. 3 p.79) geven weinig duidelijkheid over de inhoud van het begrip "werkzaam in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg".

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2006 (LJN: AU8074) beslist overeenkomstig de conclusie van advocaat-generaal mr. Knigge, voor zover hier van belang, inhoudende:

De wetgever heeft de activiteiten van uiteenlopende categorieën personen onder het bereik van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg gebracht. Het betreft met name verrichtingen die rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en ertoe strekken diens gezondheid te bevorderen of te bewaken.

Niet in de eerste plaats van belang daarbij is wie de desbetreffende handelingen verricht, veeleer is de aard van de verrichte handeling van belang.

Het hof begrijpt hieruit dat niet doorslaggevend is de kwalificatie van de persoon die de desbetreffende handelingen verricht, doch wel de aard van de handelingen die door de desbetreffende persoon worden verricht.

[Slachtoffer 2] heeft in haar aangifte verklaard dat ze bij de verdachte terecht kwam in verband met diverse problemen waar zij een oplossing voor zocht en waarbij zij een professionele hulpverlener nodig had. Tijdens hun eerste gesprek vertelde de verdachte haar dat zij op de rand was van een zenuwinstorting en dat haar energie vreselijk buiten verhouding en ongebalanceerd was. De verdachte heeft aangegeven dat hij haar kon helpen.

[Slachtoffer 3] heeft in haar aangifte verklaard dat ze op zoek was naar een therapeut omdat ze over bepaalde dingen in haar leven niet gelukkig was. De verdachte gaf aan dat ze haar leven totaal moest veranderen: ze zou in crisis en gevaar verkeren. Ook werd ze door de verdachte gewaarschuwd.

[Slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op zoek was naar een gesprekspartner bij het nemen van beslissingen en het maken van keuzes en zo bij verdachte terecht kwam. Tevens verklaart hij dat hij enigszins uit balans was. Hij heeft de verdachte gevraagd of hij hem kon helpen bij het organiseren van zijn werk en het maken van keuzes, waarop de verdachte aangaf dat hij dat kon. De verdachte vertelde hem dat hij, [slachtoffer 1], allerlei andere problemen had waar hij eerst aan moest gaan werken, voordat dat andere verhaal aangepakt kon worden.

[Slachtoffer 4] heeft bij de politie verklaard dat zij op een vervelend punt in haar leven zat toen ze aan de verdachte, op de gemaakte afspraak, over haar situatie vertelde, omdat ze veel dingen had meegemaakt. Haar zusje had schizofrenie ontwikkeld en had een heftige psychose gehad en zelf had ze een auto-ongeluk gehad waardoor ze erg was beschadigd. Ze was hierdoor erg uitgeput.

Voorts is gebleken dat de verdachte voor de door hem met voornoemde betrokkenen uitgevoerde behandelingen geldelijke vergoedingen heeft ontvangen.

Op grond van de inhoud van het dossier en de verklaringen van de verdachte kan als vaststaand worden aangenomen dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich allen, individueel, met een hulpvraag tot de verdachte hebben gewend en dat de verdachte hun hulpvragen als zodanig ook heeft herkend. De verdachte heeft aan de betrokkenen aangegeven dat hij hen kon helpen.

Uit aard van de door de verdachte verrichte handelingen kan, naar het oordeel van het hof, minstgenomen worden afgeleid dat verdachte, als mental coach, werkzaam was in de maatschappelijke zorg in de zin van artikel 249, tweede lid onder 3° Sr.

(...)

Voorzover de raadsvrouw heeft betoogd dat er geen sprake is van ontucht in de zin van artikel 249 lid 2 sub 3 Sr nu aan de mensen die zich tot de verdachte wendden de zorg is geboden waar zij voor kwamen, die in het kader van de begeleiding van verdachte passend en voor alle betrokkenen duidelijk was, overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat bij de uitgevoerde handelingen, zo ze al zijn uitgevoerd als onderdeel van de behandelmethode, geen sprake was van duidelijkheid en vrijwilligheid. Het is de verantwoordelijkheid van de hulpverlener om zich ervan te vergewissen, vooraf, dat de cliënt de behandeling dient te ondergaan en om daartoe duidelijk vooraf de behandeling te bespreken en zo nodig vast te leggen dat een en ander is besproken en door de cliënt is begrepen en aanvaard. Verdachte is in de nakoming van deze plicht, die op hem als hulpverlener rust, tekort geschoten."

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte "werkzaam was in de maatschappelijke zorg" en dat de in de bewezenverklaring genoemde personen zich "aan zijn hulp hebben toevertrouwd", zoals bedoeld in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr.

3.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat met de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr van "degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd" is beoogd ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de genoemde hulpverleners. Daarbij is uitgangspunt dat de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat (vgl. HR 30 maart 1999, NJ 1999/482). Deze bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, LJN AJ1188, NJ 2004/78).

3.3. Het Hof heeft in zijn hiervoor weergegeven overweging en in de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat:

- de verdachte zich afficheerde en praktijk hield als 'mental coach' die cliënten tegen geldelijke vergoeding hulp kon bieden bij het oplossen van mentale problemen, dat hij naar eigen zeggen al dertig jaar als zodanig werkzaam is en soms wel negen cliënten per dag hulp verleende aan de hand van een door hem gestelde diagnose en een naar aanleiding daarvan gemaakt stappenplan;

- de cliënten - van wie het merendeel de verdachte aanduidde als "therapeut", althans zijn behandeling als "therapie" - zich elk wegens een gebrekkig geestelijk welbevinden tot de verdachte wendden met een hulpvraag op mentaal vlak; en

- de cliënten zijn onderworpen aan de in de bewezenverklaring genoemde ontuchtige handelingen in het kader van de behandeling van hun mentale probleem door de verdachte op grond van de door hem gestelde diagnose.

3.4. Het hierop en op de aard van de verrichtingen van de verdachte gegronde oordeel van het Hof dat de verdachte in de maatschappelijke zorg werkzaam was en dat de cliënten zich aan zijn hulp hebben toevertrouwd, geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Anders dan in de toelichting op het middel is aangevoerd, doet niet ter zake of aan die verrichtingen een zakelijke overeenkomst dan wel een behandelovereenkomst ten grondslag ligt, en doet aan 's Hofs oordeel niet af dat die verrichtingen niet door een zorgverzekeraar worden vergoed en dat de verdachte niet is aangesloten bij een overkoepelende vakorganisatie in de zorgsector.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat geen sprake is van "ontucht" in de zin van art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr.

4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer samengevat en verworpen, zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven.

4.3. In HR 18 februari 1997, NJ 1997/485 is geoordeeld dat uitgangspunt moet zijn dat wanneer tussen de betrokkenen een relatie bestaat als bedoeld in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr, gelet op de strekking van de bescherming die deze bepaling aan patiënten en cliënten beoogt te bieden, slechts dan bij wijze van uitzondering geen sprake is van "ontucht plegen" indien die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.

4.4. Gelet hierop getuigt het kennelijke oordeel van het Hof dat deze uitzondering zich hier niet voordoet, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de omstandigheid dat de verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat zijn handelingen deel uitmaakten van de door hem toegepaste behandelmethode en door de cliënten vrijwillig werden ondergaan, nu die omstandigheid als zodanig de hiervoor onder 4.3 bedoelde vorm van afhankelijkheid niet aantast.

4.5. Het middel faalt.

5. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

7. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 171 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 85 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 maart 2011.