Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP2336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
09/03760
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP2336
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in hoger beroep. Het Hof heeft kennelijk het huidige art. 416.2 Sv toegepast. In de onderhavige zaak is in eerste aanleg vonnis gewezen op 25 april 2006. Zoals in de conclusie van de A-G is uiteengezet, was genoemde bepaling in deze zaak niet van toepassing, zodat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1358

Uitspraak

1 november 2011

Strafkamer

nr. 09/03760

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 11 september 2009, nummer 24/000939-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. In deze zaak is door de verdachte hoger beroep ingesteld tegen een te zijnen laste gewezen vonnis van de Kantonrechter. In hoger beroep is tegen de verdachte verstek verleend. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:

"De vice-president stelt vast dat uit het meest recente GBA-overzicht van verdachte blijkt dat de verdachte is vertrokken naar Suriname. Er is geen woon- of verblijfplaats van verdachte bekend. De dagvaarding in hoger beroep is om die reden terecht ter griffie betekend."

2.2. De als middel aangeduide klacht komt erop neer dat het Hof blijk had moeten geven te hebben onderzocht of de dagvaarding "in eerste en tweede feitelijke aanleg aan alle bekende en door verzoeker opgegeven GBA en verblijfsadressen op juiste wijze is betekend". De klacht houdt aldus niet met voldoende duidelijkheid in op grond waarvan het Hof zijn uitdrukkelijk gegeven oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend nader had moeten motiveren en waarom het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend, onbegrijpelijk zou zijn. De klacht voldoet daarom niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, zodat zij onbesproken moet blijven.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

3.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest het navolgende overwogen en beslist:

"Het hof stelt vast dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 23 januari 2007 [de HR leest: 25 april 2006] heeft opgegeven. Het hof ziet hierin aanleiding - op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering - het door de verdachte ingesteld[e] hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren."

3.3. Het Hof heeft kennelijk het huidige art. 416, tweede lid, Sv toegepast.

3.4. In de onderhavige zaak is in eerste aanleg vonnis gewezen op 25 april 2006. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 en 18 is uiteengezet, is genoemde bepaling in deze zaak niet van toepassing, zodat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en het tweede middel geen bespreking behoeft.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 november 2011.