Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP1473

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
10/00076
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP1473
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7397, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Artikelen 11 en 23 van het Verdrag Nederland-Brazilië en artikelen 36, lid 2, letter b, en lid 4, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Voor de verrekening van bronbelasting ingehouden op genoten rente op een verstrekte dollarlening vormt een ter zake van die lening geleden valutaverlies geen op die rente in mindering te brengen kostenpost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2514 met annotatie van Vrolijks
FutD 2011-1437 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2011/32.8 met annotatie van Redactie
BNB 2012/23 met annotatie van S. van Weeghel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/00076

17 juni 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 november 2009, nr. 08/00445, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/04123) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 10 december 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende fungeert als groepsfinancieringsmaatschappij van het telefonieconcern X. In 2003 heeft zij een aantal leningen verstrekt aan een gelieerde vennootschap in Brazilië, C S.A. (hierna: C). Tevens heeft zij in 2003 door een gelieerde vennootschap aan C verstrekte leningen overgenomen. Deze leningen luiden in Amerikaanse dollars dan wel in euro's.

3.1.2. In haar aangifte vennootschapsbelasting voor 2003 heeft belanghebbende € 68.010.791 als bruto interest uit Brazilië verantwoord. Voorts is € 52.002.378 aangegeven als kosten die betrekking hebben op deze inkomsten, welk bedrag als volgt is gespecificeerd:

Interestkosten € 18.151.123

Koersverschil (valutaverlies) € 33.139.763

Indirecte kosten € 135.667

Overige kosten € 575.825

Totaal € 52.002.378.

3.1.3. Op de door C betaalde rente (€ 68.010.791) is 15 percent bronbelasting (€ 10.201.619) ingehouden.

3.1.4. Op grond van artikel 23, lid 4, letter b, van het Belastingverdrag Nederland-Brazilië van 8 maart 1990 (hierna: het Verdrag) wordt de in Brazilië betaalde belasting geacht te bedragen 20 percent van de rente-inkomsten oftewel € 13.602.158 (tax sparing credit). Daarnaast was uit voorgaande jaren nog € 7.900.911 aan bronheffing te verrekenen. Het op basis van de zogenoemde eerste limiet van artikel 36, lid 2, letter a, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: het Besluit) te verrekenen bedrag (de in het buitenland geheven belasting) beliep aldus € 21.503.069 (€ 13.602.158 + € 7.900.911).

3.1.5. De Inspecteur heeft het maximaal te verrekenen bedrag op basis van de zogenoemde tweede limiet van artikel 36, lid 2, letter b, van het Besluit (het aan de rente toerekenbare deel van de Nederlandse vennootschapsbelasting) berekend door in de teller van de voorkomingsbreuk uit te gaan van een nettoresultaat van € 16.008.413 (ontvangen interest € 68.010.791 -/- kosten € 52.002.378 (zie 3.1.2 hiervoor)).

3.1.6. De onderhavige aanslag voor 2003 is in overeenstemming met de aangifte vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 29.740.654. De te betalen belasting bedroeg € 10.259.276 (34,5 percent van € 29.740.654), waarop € 5.522.230 (de tweede limiet: 16.008.413/29.740.654 x € 10.259.276) ter zake van aftrek elders belast in mindering is gebracht.

3.1.7. Belanghebbende heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de tweede limiet moet worden berekend zonder op de teller van de voorkomingsbreuk het valutaverlies in mindering te brengen.

3.2. Het Hof heeft in navolging van de Rechtbank belanghebbende in het gelijk gesteld. Het Hof heeft daartoe onder meer overwogen dat waar in artikel 36, lid 1, van het Besluit sprake is van 'in de winst begrepen interest', hieronder in beginsel moet worden verstaan hetzelfde inkomensbestanddeel als waarover Brazilië op de voet van artikel 11, lid 1, van het Verdrag belasting mag heffen. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat koersverschillen ter zake van de hoofdsom van de lening waarover rente wordt genoten op grond van de tekst van artikel 11, lid 1, van het Verdrag buiten het bereik van die bepaling blijven. Deze koersverschillen houden immers, aldus het Hof, verband met de bron (= de hoofdsom), zijnde het bedrag waarover rente wordt berekend, terwijl de in artikel 11 van het Verdrag bedoelde interest een vergoeding (vrucht) voor de terbeschikkingstelling van die hoofdsom betreft. Van belang is voorts, aldus het Hof, dat in artikel 11, lid 1, van het Verdrag wordt gesproken van 'betaalde interest' en dat deze terminologie geen ruimte biedt om ook inkomensbestanddelen die niet als zodanig worden betaald en die als gevolg van de gehanteerde waarderingsmethode in het resultaat tot uiting komen, zoals de onderhavige (negatieve) koersverschillen, tot het in artikel 11, lid 1, van het Verdrag bedoelde bestanddeel van het inkomen te rekenen.

Vervolgens heeft het Hof de vraag behandeld of het onderhavige valutaverlies moet worden begrepen onder de met de interest 'verband houdende kosten' in de zin van artikel 36, lid 4, van het Besluit en geoordeeld dat dit niet het geval is. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat deze bewoordingen zich verzetten tegen een uitleg waarbij interest verminderd wordt met valutaresultaten. Het gebruik van de zinsnede "de daarmee verband houdende kosten" duidt volgens het Hof erop dat de besluitgever uitsluitend het oog heeft gehad op in verband met de rente-inkomsten gedane lopende uitgaven, zoals beheerskosten en renten wegens financiering van schulden.

3.3.1. Voor zover het middel zich tegen deze oordelen richt, faalt het aangezien deze oordelen juist zijn.

3.3.2. Voor het overige richt het middel zich tegen de door het Hof in de onderdelen 4.6.1 en 4.6.2 van zijn uitspraak gegeven oordelen. Ook in zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden, omdat die oordelen ten overvloede zijn gegeven en zij niet dragend zijn voor 's Hofs oordeel dat het valutaverlies op de hoofdsom niet moet worden opgenomen in de teller van de voorkomingsbreuk.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1638,75.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, A.R. Leemreis, J.A.C.A. Overgaauw en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2011.

De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door mr. J.A.C.A. Overgaauw.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.