Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP1284

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
10/00703
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP1284
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in het verkorte arrest een bewijsredenering opgenomen zonder een volledige verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Daarnaast heeft het hof een aanvulling op het verkort arrest gegeven als bedoeld in art. 365a.2 Sv. Klaarblijkelijk heeft het hof niet voor ogen gehad zijn arrest volgens de zogenoemde promismethode te wijzen. Nu het hof heeft gekozen voor een aanvulling op het verkort arrest, dient deze aanvulling aan de wettelijke eisen te voldoen en had het cfm art. 359.3 Sv de bewijsmiddelen moeten bevatten. Daaraan voldoet de aanvulling niet; de bewijsmotivering schiet tekort.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 365a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/406
NJ 2011/137
NJB 2011, 749
NBSTRAF 2011/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2011

Strafkamer

Nr. 10/00703

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 april 2009, nummer 21/002993-07, in de

strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

hij in de periode van 24 december 2003 tot en met 14 januari 2004 te Heerde en/of (elders) in Nederland, en/of te Antwerpen en/of (elders) in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een of meer accijnsgoederen, te weten sigaretten van de merken Marlboro en Benson & Hedges, respectievelijk 2.125.800 stuks en 2.089.000 stuks, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

2.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 12 januari 2004 te Heerde, althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [betrokkene 1], handelend onder de naam [A], en/of [B] b.v.b.a. heeft doen plegen (op 12 januari 2004 te Antwerpen), het delict van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte, te weten een aangifte ten invoer, (referentienummer [001]) door namelijk naast de in die aangifte vermelde goederen niet tevens (een handelsvoorraad) sigaretten te vermelden, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer werden en/of zouden worden geheven."

2.2.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering in het verkorte arrrest voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt:

Op 9 januari 2004 ontving de FIOD Almelo een bericht van Belgische Federale Overheidsdienst Financiën dat op 22 december 2003 in Antwerpen een container was aangekomen die op 23 december 2003 is gecontroleerd. Tijdens die controle bleek dat de inhoud bestond uit kartons met daarin opgerolde buis. Na de eerste slag zaten dezelfde kartons die sigaretten van het merk Marlboro bevatten. Volgens de documenten betreft de consignee [A] in Heerde (AH-01).

- Na observatie door de FIOD bleek dat de container op 14 januari 2004 naar Heerde werd getransporteerd. Uit tapgesprekken bleek dat het de bedoeling was om nog dezelfde avond de vrachtwagen te lossen. Kort voordat tot ingrijpen werd overgegaan werd nog door het observatieteam geconstateerd dat er dozen vanuit de container van de vrachtwagen werden overgeladen in een Opel Movano (overzichtsproces-verbaal, pagina 17).

- Op 14 januari 2004 stelde een FIOD-ambtenaar vast dat bij de loods aan de [a-straat] in Heerde een rode Opel Movano stond waarin zich 15 dozen bevonden. De dozen waren dichtgeplakt met plakband met uitzondering van twee dozen. Eén van die twee dozen bevond zich vlak bij de achterdeur van de Movano en was door een collega van de FIOD-ambtenaar geopend. In die doos waren sloffen Marlboro zichtbaar. De tweede doos was zichtbaar open geweest en niet meer met plakband dichtgeplakt. Deze doos bevond zich het meest links voorin in de bus. Nadat doos 2 was weggehaald onder de andere dozen, gingen de beide flappen die de doos sluiten vanzelf openstaan en kon in de doos worden gekeken. Daarbij was een gedeelte van een slof Marlboro zichtbaar. Op het moment dat de FIOD op het terrein bij de loods verscheen was men bezig dozen uit een vrachtwagen te halen en dozen o.a. in de Opel Movano te laden. De dozen die nog in de vrachtwagen stonden, waren dichtgeplakt (AH-05).

- In totaal werden 2.125.800 stuks sigaretten van het merk Marlboro en 2.089.000 stuks van het merk Benson & Hedges aangetroffen (overzichtsproces-verbaal, pagina 18).

- Op 15 januari 2004 heeft een opsporingsambtenaar contact gehad met een Belgische collega. Deze collega bevestigde dat er tijdens de controle dozen waren open gemaakt, maar dat deze dozen weer gesloten waren met gelijkwaardige tape (AH-18).

Verbalisanten hebben geconstateerd tijdens het in beslag nemen van de sigaretten en het verplaatsen van diverse dozen dat aan de hand van het bewegingspatroon van de inhoud van de dozen, alsmede het door de inhoud van de dozen gemaakte geluid, duidelijk is welke dozen sigaretten bevatten en welke dozen buizen. De dozen met buizen hebben bij het oppakken een instabiel bewegingspatroon en maken een rammelend geluid, terwijl de dozen met de sigaretten stabiel aanvoelen, waarbij de inhoud geen geluid maakt (overzichtsproces-verbaal, pagina 18).

- Bij de loods bevonden zich tijdens de inval van de FIOD de volgende personen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], de chauffeur van de vrachtwagen en verdachte.

- [betrokkene 4] heeft tijdens de verhoren door FIOD gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij op 14 januari 2004 aan het lossen was en dat hij voor het lossen benaderd was door de verdachte.

- [betrokkene 5] heeft tijdens zijn verhoor bij de FIOD verklaard dat hij 500 euro zou krijgen om een vrachtwagen te lossen.

- [betrokkene 1] (eigenaar van het bedrijf [A]) heeft op 15 januari 2004 een verklaring afgelegd bij de FIOD. Hij heeft verklaard dat hij verdachte al lang kent en dat begin 2003 verdachte hem in contact wilde brengen met een buizenfabrikant in China. [betrokkene 1] had echter geen belangstelling onder meer omdat de buizen geen KIWA keur hadden. Medio 2003 vroeg verdachte of [betrokkene 1] belangstelling had voor gratis buizen. Dat had [betrokkene 1] wel. De buizen en invoerrechten zijn toen betaald door de verdachte. Ten tijde van het verhoor stonden de dozen met buizen voor het merendeel nog op de zolder van zijn bedrijf. De buizen zijn vanwege het ontbreken van het KIWA keur moeilijk verkoopbaar. In de week voor kerst 2003 nam verdachte opnieuw contact op met [betrokkene 1]. Verdachte vertelde dat hij weer buizen wilde kopen. [Betrokkene 1] had hier geen belang bij, maar verdachte bleef aandringen. [Betrokkene 1] zei vervolgens dat het voor hem niet hoefde, waarna verdachte zei dat hij genoeg wist. Rond 5 januari 2004 werd [betrokkene 1] opnieuw door de verdachte gebeld. Verdachte zei dat hij een container met buizen had besteld en dat deze buizen in Antwerpen zouden worden afgeleverd. Dezelfde dag of een dag later kreeg [betrokkene 1] een envelop in de brievenbus met alle documenten. De documenten stonden op naam van het bedrijf van [betrokkene 1]. De buizen waren al betaald. Vervolgens kreeg hij bericht dat de container kon worden afgehaald. Dit heeft [betrokkene 1] doorgegeven aan verdachte. Verdachte wilde zelf de mensen regelen voor het lossen. De avond van 14 januari 2004 heeft [betrokkene 1] 's avonds tegen verdachte gezegd dat hij zich bedonderd voelde, omdat op de documenten stond dat de buizen al op 23 of 28 november 2003 uit China verzonden waren, terwijl verdachte aan [betrokkene 1] in de week voor kerst had gevraagd of hij buizen wilde.

- [Betrokkene 1] heeft op 19 januari 2004 bij de FIOD verklaard dat verdachte hem op 5 januari 2004 heeft gebeld met de mededeling dat hij de buizen had en dat hij de papieren zou toesturen.

- [Betrokkene 1] heeft op 30 januari 2004 verklaard dat verdachte de beschikking had over zijn bedrijfsgegevens en dat hij dus in staat is om die gegevens aan leveranciers door te geven.

- Verdachte heeft in zijn verhoor bij de FIOD op 15 januari 2004 verklaard: 'geef mij de schuld maar. Ik heb de jongens geregeld om de vrachtwagen te lossen. Zij hebben er niets mee te maken. Geef mij de schuld maar van de sigaretten.'

Verdachte wilde niet vertellen waar de dozen zouden worden opgeslagen.

- [Betrokkene 3] heeft op 15 januari 2004 bij de FIOD verklaard dat hij tijdens de lossing gezien heeft dat verdachte een aantal keren met dozen naar een bestelbus is gelopen en ze daar heeft ingeladen. Verder heeft hij niemand gezien die met dozen naar de bestelbus is gelopen. Daarnaast was het hem opgevallen dat verdachte met de heftruck (die door [betrokkene 3] werd bestuurd) mee liep om er voor te zorgen dat de dozen niet zouden vallen.

- Op 19 november 2008 heeft [betrokkene 6] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij wist dat hij er op 14 januari 2004 sigaretten in Heerde zouden komen en dat hij dit wist, omdat hij het had aangestuurd. Ook heeft hij verklaard dat verdachte de buizen in China had besteld.

- Voorafgaand aan de levering op 14 januari 2004 is er telefonisch contact tussen [betrokkene 6] en verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat gesproken wordt over de komst van [betrokkene 4] en de auto die [betrokkene 4] mee neemt.

- Uit een via de telefoon opgenomen gesprek van 13 januari 2003 blijkt dat verdachte en [betrokkene 6] spreken over sigaretten; ze besluiten Marlboro en Caballero te pakken. [Betrokkene 6] vraagt 'wij hebben ze het liefst gebandeleerd hè?' En zegt dat er in een mesbox 50 sloffen zitten en dat een mesbox 170 dollar kost. [Betrokkene 6] maakt dan een berekening 170 maal 2.20371.

- Verdachte heeft tijdens de zitting van het hof op 19 maart 2009 verklaard dat de door hem in april 2003 ingevoerde partij buizen (die in januari 2004 nog lag opgeslagen) hem toebehoorde.

De combinatie van bovengenoemde omstandigheden leveren bij het hof de overtuiging op dat de verdachte reeds vóór 12 januari 2004 heeft geweten dat de lading die op 14 januari 2004 in Heerde werd gelost, niet alleen bestond uit dozen met buizen, maar ook uit dozen met sigaretten.

[Betrokkene 6] wist dat de lading die op 14 januari 2004 in Heerde werd gelost voor een deel uit sigaretten bestond, zo blijkt uit zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris. Een jaar daarvoor had [betrokkene 6] met de verdachte gesproken over grote hoeveelheden sigaretten. Verdachte heeft er aan bijgedragen dat de lading die mede uit sigaretten bestond in januari 2004 werd ingeklaard. Hij heeft geholpen met het lossen van de container. Hij heeft lossers en vervoer geregeld en heeft op 14 januari 2004 contact gehad met [betrokkene 6] over één van de lossers.

Het hof acht het onwaarschijnlijk dat als:

- [betrokkene 6] reeds eerder met de verdachte plannen heeft gemaakt om 'iets' te doen met sigaretten;

- [betrokkene 6] de invoer van illegale sigaretten aanstuurt;

- verdachte een wezenlijke rol speelt bij de realisering van die invoer en de organisatie van het lossen van de container; en

- verdachte in verband met het lossen van de lading contact heeft met [betrokkene 6] verdachte niet zou hebben geweten dat zich in de container dozen met sigaretten bevonden.

Dat de verdachte - zoals [betrokkene 6] bij de raadsheer-commissaris stelt - er ingeluisd is (en dus niet van de sigaretten zou hebben geweten) acht het hof niet geloofwaardig mede gelet op het feit dat verdachte in zijn verhoor bij de FIOD heeft gezegd: geef mij de schuld maar van de sigaretten; de lossers hebben er niets mee te maken. Het is niet aannemelijk dat op het moment dat de verdachte zich gerealiseerd zou hebben dat hij er in was geluisd en hij door toedoen van een ander vast zat voor sigarettensmokkel, hij ook nog eens bereid zou zijn de schuld op zich te nemen.

Bovenstaande overwegingen spelen een rol bij de wijze waarop het hof de hieronder te noemen feiten interpreteert.

Uit AH-05 en AH-18 leidt het hof af dat de dozen gesloten waren op het moment dat de dozen op 14 januari 2004 in Heerde arriveerden. In de Opel Movano bleek echter één doos aanwezig die geopend was, naast de doos die door de FIOD was geopend. De niet door de FIOD geopende doos stond links vooraan onder een andere doos, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat deze doos als eerste in de auto is geplaatst. Gelet op het feit dat juist die doos is geopend, gaat het hof er van uit dat dit gebeurd is om de inhoud te controleren. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat alle aanwezigen -op de verdachte na- slechts bij de loods waren om te helpen met lossen. Niet blijkt dat die andere aanwezigen iets te zeggen hadden over de bestemming van de dozen, dan wel betrokken waren bij de bestelling van de dozen. Het is niet gebleken dat die anderen dozen hebben geopend en/of enig belang hadden bij de inhoud. Het is verder niet gebleken dat anderen dan verdachte de dozen in de Opel Movano hebben gezet. Het hof gaat er daarom van uit dat verdachte degene is geweest die de -voorin staande en geopende- doos in handen heeft gehad en heeft geopend.

Het hof gaat er verder van uit dat de verdachte net als de opsporingsambtenaar heeft gemerkt in welke dozen buizen zaten en in welke dozen niet. Gelet op het feit dat de verdachte een doos met sigaretten heeft geopend en niet een doos met buizen, gaat het hof er van uit dat de verdachte (met name) geïnteresseerd was in de sigaretten en niet in de buizen.

Dat het de verdachte ging om de sigaretten en niet om de buizen - en de verdachte reeds voor 12 januari 2004 wist dat de lading tevens uit sigaretten zou bestaan - leidt het hof voorts af uit hetgeen (ook bij de verdachte) bekend was over de buizen.

[Betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij (de verdachte) buizen had besteld. [Betrokkene 6] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat verdachte de buizen in China had geregeld. Verdachte heeft de buizen aangeboden aan [betrokkene 1] waaruit volgt dat de verdachte (enige) zeggenschap had over de buizen. Uit de verklaring van [betrokkene 6] volgt dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de bestelling van de buizen in China. Verdachte bood de buizen aan [betrokkene 1] aan nadat de buizen vanuit China, waren verscheept. Verdachte moet hebben geweten dat op het moment dat de buizen besteld en verscheept werden er nog geen koper voor was. Hij had bovendien de beschikking over een eerder ingevoerde partij buizen (eveneens afkomstig uit China), die door het ontbreken van een keurmerk slecht verkoopbaar was.

Het bestellen en verschepen van buizen waar nog geen koper voor is en waar aanwijzingen ontbreken dat die buizen goed verkoopbaar zijn, draagt bij aan de overtuiging van het hof dat de verdachte wist dat de buizen slechts dienden als deklading.

De aangifte tot invoer (D56) is ingevuld door [B], die daartoe opdracht had gekregen van [betrokkene 1]. Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt dat hij de opdracht tot inklaring heeft gedaan door toedoen van de verdachte. Het was de verdachte die met hem contact op nam en zei dat hij buizen had besteld en er voor zou zorgen dat [betrokkene 1] de papieren zou ontvangen. Zonder toedoen van verdachte had [betrokkene 1] niet aan [B] de opdracht tot inklaring gegeven. Gelet op de wetenschap van de verdachte dat de lading bestond uit sigaretten die waren afgedekt door dozen met buizen, gaat het hof er van uit dat de verdachte tevens moet hebben geweten dat de bij [betrokkene 1] in de brievenbus gedeponeerde papieren niet zouden vermelden dat de lading mede uit sigaretten zou bestaan en dat het gevolg daarvan zou zijn dat ook de aangifte tot invoer geen melding zou maken van sigaretten.

Uit het bovenstaande volgt voorts dat de verdachte moet hebben geweten dat de sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken."

2.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt in:

"In de bewezenverklaring van feit 2 is abusievelijk als periode opgenomen 1 januari 2005 tot en met 12 januari 2004. Dit moet zijn: 1 januari 2004 tot en met 12 januari 2004.

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Gelet op het arrest en de daarin opgenomen bewijsoverweging, met aanhaling van de bewijsmiddelen, zal in deze aanvulling voor die bewijsmiddelen worden volstaan met het opnemen van de vindplaatsen van die gebezigde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt - tenzij anders aangegeven - telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de FIOD-ECD, vestiging Almelo, genummerd 29.860 gesloten en getekend op 9 april 2004, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar.

1. Het faxbericht van de Belgische Federale Overheidsdienst Financiën aan de FIOD Almelo, gedateerd 9 januari 2004 (bijlage 1/AH/01).

2. Het bovengenoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (pagina's 8 tot en met 10, 17 en 18).

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van ambtshandeling, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant (bijlage 1/AH/05).

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van ambtshandeling, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant (bijlage 1/AH/18).

5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 oktober 2005 opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Zutphen, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4].

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] (bijlage V6-01).

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-1).

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-2).

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-4).

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte (bijlage V03-01).

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] (bijlage V4-01).

12. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 november 2008 opgemaakt door de raadsheer-commissaris in dit hof, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6].

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD, vestiging Almelo, genummerd 29.860, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 11 april 2005, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (pagina 2 e.v.).

14. De bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD, vestiging Almelo, genummerd 29.860, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 11 april 2005, voor zover inhoudende de samenvatting van het telefoongesprek tussen [betrokkene 6] en verdachte d.d. 13 januari 2003 (bijlage 2, pagina 2 e.v.).

15. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 19 maart 2009.

Met betrekking tot feit 1 "niet in de heffing betrokken":

16. Het bovengenoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (pagina 18), zakelijk weergegeven:

Inmiddels is vastgesteld dat het nagemaakte sigaretten betreft, voorzien van valse Nederlandse accijnszegels als het gaat om de Marlboro sigaretten en een opdruk "duty paid" als het gaat om Benson & Hedges.

17. De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van ambtshandeling, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (bijlage 1/AH/21 en 1/AH/22), waarin wordt geconcludeerd dat de gebruikte accijnszegels vals zijn.

In het bijzonder met betrekking tot feit 2:

18. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangifte tot invoer van aangever douaneagentschap [B] B.V.B.A., referentienummer [001], ondertekend door [betrokkene 7], gedateerd 12 januari 2004 (bijlage 1/D.56/02), waarin bij de omschrijving van de goederen wordt vermeld dat het gaat om 515 pakketten met buizen.

19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 7] (Belgiëdossier van de FIOD-ECD, bijlage 1/België/03), zakelijk weergegeven:

U vraagt mij wat ik kan zeggen over de behandeling van container (...) waarvoor wij de douaneaangifte d.d. 12 januari 2004 kantoor Antwerpen Douane hebben opgesteld.

Op 8 januari 2004 hebben wij een dossier gestart onder het nummer [002]. Die dag hebben wij van onze opdrachtgever de firma [A] BV uit Heerde in Nederland per post een aantal documenten ontvangen omtrent bovengenoemde container.

20. Een brief van [betrokkene 1] aan [B] Douaneagenten (Belgiëdossier, bijlage 1/België/05, bijlage 5), zakelijk weergegeven:

In aansluiting op een telefoongesprek ontvangt u hierbij de documenten bij de hierop genoemde container uit China. Vriendelijk verzoek ik u de inklaring hiervan te verzorgen en ons mede te delen wanneer de container gehaald kan worden.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-1, pagina 4), zakelijk weergegeven:

Ik wist absoluut niet dat er sigaretten in de dozen zaten."

2.4. Het Hof heeft in het verkorte arrest een bewijsredenering opgenomen zonder een volledige verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Het heeft daarnaast een aanvulling op het verkorte arrest gegeven als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Klaarblijkelijk heeft het Hof niet voor ogen gehad een arrest te wijzen zoals aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007/387 (de zogenoemde promismethode), aangezien het arrest in dat geval reeds terstond had behoren te zijn uitgewerkt.

Nu het Hof ervoor heeft gekozen een aanvulling op het verkorte arrest te geven behoort die aanvulling aan de wettelijke eisen te voldoen, hetgeen in het onderhavige geval betekent dat zij de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv dient te bevatten. Daaraan voldoet de aanvulling niet. De bewijsmotivering schiet dan ook tekort.

2.5. Het middel is derhalve gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 15 maart 2011.