Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0760

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
09/00036
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzuim te beslissen op verzoek informanten en runners van de CIE te horen. Het Hof heeft uit de gang van zaken ter terechtzitting kennelijk afgeleid dat het verzoek tot het horen van een of meer informanten en de runners niet werd gehandhaafd. Vervolgens heeft het kennelijk geoordeeld dat daarom het bij het pleidooi - dat is gevoerd overeenkomstig de klaarblijkelijk voorafgaand aan de terechtzitting vervaardigde pleitnota - gedane verzoek de runners en informanten te horen als achterhaald kon worden beschouwd. Een en ander is gelet op het procesverloop niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat niet blijkt dat bij pleidooi is aangegeven waarom, niettegenstaande de daaraan voorafgaande gang van zaken ter terechtzitting alsnog werd teruggevallen op het aanvankelijke verzoek tot het horen van de runners en informanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/439
NJB 2011, 819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2011

Strafkamer

nr. 09/00036

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 december 2008, nummer 22/000735-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof verzuimd heeft te beslissen op het verweer dat de dagvaarding, voor zover inhoudende dat de tenlastelegging van feit 3 nietig is wat betreft de voorbereidingshandelingen.

2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van het onder 3 tenlastegelegde feit, zodat de klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.

2.3. Voorts klaagt het middel dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de verdediging om informanten en de runners van de CIE te horen.

2.4.1. Tot de stukken van het geding behoort een faxbrief van de raadsman aan de Advocaat-Generaal bij het Hof, waarin deze verzoekt een aantal getuigen op te roepen. Voorts behoort tot de stukken van het geding een faxbrief van de

Advocaat-Generaal bij het Hof aan de raadsman waarin deze op diens verzoek reageert. Laatstgenoemde brief houdt, samengevat, in dat het Openbaar Minsterie zich niet zal verzetten tegen het horen van de getuige [getuige]; dat het horen van de tactisch teamleider van het opsporingsonderzoek, de informanten en de runners wordt afgewezen, evenals het verzoek tot het horen van de CIE-chefs [betrokkene 1 en 2].

2.4.2. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De opgeroepen getuige [getuige] is niet ter terechtzitting verschenen.

(...)

De raadsman deelt desgevraagd mede dat hij zijn verzoek tot het horen van [getuige] als getuige niet langer handhaaft. Echter, hij handhaaft zijn verzoek tot het horen van de tactisch teamleider en de CIE-chef [betrokkene 1] als getuigen indien het hof door hem te voeren verweren zou verwerpen.

De voorzitter deelt mede dat het hof omtrent het verzoek van de raadsman tot het horen van deze getuigen bij arrest zal beslissen.

De raadsman en de Advocaat-Generaal stemmen hiermee in.

De Advocaat-Generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor.

De Advocaat-Generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen. Voorts heeft de Advocaat-Generaal het hof verzocht de gevangenneming van de verdachte te bevelen en legt de vordering aan het gerechtshof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen.

De Advocaat-Generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 december 2008 te 09.30 uur."

2.5. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities houden het volgende in:

"Voor zover Uw Hof voornemens zou zijn de voorgedragen verweren te willen verwerpen, handhaaf ik mijn eerder ingediende getuigenverzoeken, en wordt dus verzocht zowel de tactisch teamleider als CIE-chef [betrokkene 1], en ook de informant of informanten en de runners, die ten grondslag liggen aan de criminele informatie, aan de tand te mogen te voelen over de gerelateerde "betrouwbare" informatie en de achterliggende feiten en omstandigheden."

2.6. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Verder heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof de voorgedragen verweren verwerpt, de. verdediging het verzoek tot het horen van zowel de tactisch teamleider als de CIE-chef [betrokkene 1] handhaaft.

Het hof wijst dit verzoek af nu de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken. Het hof heeft daartoe overwogen dat de CIE-informatie uitsluitend startinformatie voor het opsporingsonderzoek betreft en niet informatie die voor het bewijs is gebezigd. Voorts overweegt het hof dat gesteld noch aannemelijk geworden is dat sprake is geweest van enige onrechtmatigheid die zich zou hebben voorgedaan bij de start van het onderzoek."

2.7. Blijkens hetgeen hiervoor uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is weergegeven heeft de raadsman aldaar verklaard dat hij zijn verzoek tot het horen van de getuige [getuige] niet langer handhaaft, maar wel het

verzoek tot het horen van de tactisch teamleider en de CIE-chef [betrokkene 1]. Dat proces-verbaal houdt voorts in dat de voorzitter heeft meegedeeld dat het Hof omtrent het verzoek van de raadsman tot het horen van deze getuigen bij arrest zou beslissen en dat de raadsman daarmee heeft ingestemd.

Het Hof heeft uit een en ander kennelijk afgeleid dat het verzoek tot het horen van een of meer informanten en de runners niet werd gehandhaafd. Vervolgens heeft het kennelijk geoordeeld dat daarom het bij het pleidooi - dat is gevoerd overeenkomstig de klaarblijkelijk voorafgaand aan de terechtzitting vervaardigde pleitnota - gedane verzoek de runners en informanten te horen als achterhaald kon worden beschouwd.

Een en ander is gelet op het procesverloop niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat niet blijkt dat bij pleidooi

is aangegeven waarom, niettegenstaande de daaraan voorafgaande gang van zaken ter terechtzitting alsnog werd teruggevallen op het aanvankelijke verzoek tot het horen van de runners en informanten.

2.8. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf van drie jaren.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en tien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 maart 2011.