Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0630

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
09/03598
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Koop. Non-conformiteit. Klachtplicht. Verjaringstermijn. Terugkerend gebrek. Art. 7:23 BW. Oordeel hof dat koper met voortdurende stroom van klachten heeft geklaagd in de zin van art. 7:23 lid 1. Bevoegdheid tot ontbinding niet verjaard nu na iedere op de voet van art. 7:23 lid 1 gedane kennisgeving ingevolge art. 7:23 lid 2 ook telkens een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Beroep op verjaring vergt onderzoek van feitelijke aard en kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. In een geval dat tijdig is gereclameerd en eveneens tijdig is gereclameerd over het terugkeren van het gebrek, is het in strijd met de strekking van de bepaling van art. 7:23 lid 2 de vordering tot vergoeding van de schade uit de beginperiode verjaard te achten omdat meer dan twee jaren sinds de eerste klachten zijn verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/528
NJB 2011, 921
RCR 2011/43
RAV 2011/72
NJ 2013/139 met annotatie van J. Hijma
JWB 2011/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2011

Eerste Kamer

09/03598

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Eiser 2],

3. [Eiseres 3],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.L. Bakels en mr. D. Rijpma,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerder 2],

3. [Verweerster 3],

allen wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli.

Partijen zullen hierna ook in enkelvoud worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 107846/HA ZA 05-476 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 december 2006, verbeterd bij herstelvonnis van 27 december 2006;

b. het arrest in de zaak 107.001.981/01 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 26 mei 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Namens [eiser] heeft zijn advocaat bij brief van 21 januari 2011 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] exploiteert in maatschapsverband een melkveehouderij met ongeveer 180 melkkoeien. [Eiser] is dealer van melkmachines.

(ii) Op of omstreeks 4 september 2001 heeft [verweerder] bij [eiser] voor in totaal ƒ 750.000,-- (€ 340.335,--), exclusief BTW, een melkwinningsysteem gekocht, bestaande uit drie melkrobots, één inlinecooling en vier voerboxen. Onderdeel van het gekochte is ook het zogeheten 4-KGM-systeem (4-KGM staat voor 'vierkwartieren geleidbaarheidsmeting'), welk systeem het mogelijk maakt om tijdens het melken per koe en per kwartier van de uier een controle op mogelijke aanwezigheid van mastitis (uierontsteking) uit te oefenen. Het 4-KGM-systeem zou pas later worden geleverd.

(iii) In aansluiting op de koopovereenkomst heeft [verweerder] met [eiser] ook een onderhoudsovereenkomst afgesloten. Op grond van deze overeenkomst kan [verweerder] 24 uur per dag aanspraak maken op een storingsmonteur van [eiser]. De vaste kosten van de onderhoudsovereenkomst bedragen € 5.000 (excl. BTW) per jaar. De kosten van elk bezoek van een storingsmonteur worden afzonderlijk in rekening gebracht.

(iv) De eerste twee melkrobots zijn op 28 november 2001 geïnstalleerd, terwijl de derde melkrobot in februari 2002 in bedrijf is gesteld. Het 4-KGM-systeem is op 28 of 29 oktober 2003 geleverd.

(v) Vanaf het begin zijn er storingen in het systeem opgetreden. Voor het verhelpen van de storingen zijn monteurs van [eiser] op het bedrijf van [verweerder] gekomen. Zij hebben in een logboek de aard van de storingen, voorzien van een datum, kort omschreven. Ook bij het 4-KGM-systeem zijn direct na levering storingen opgetreden. Het heeft slechts gefunctioneerd van 29 oktober 2003 tot 1 november 2003 en van 17 maart 2004 tot 4 oktober 2004.

(vi) [Verweerder] had een Technische Verzekering Apparatuur afgesloten bij Delta Lloyd. Onder deze verzekering heeft hij in de jaren 2003 en 2004 een aantal schaden aan het melkwinningsysteem gemeld. Delta Lloyd heeft de verzekering opgezegd tegen 7 oktober 2004, onder andere omdat volgens Delta Lloyd het aantal gemelde schaden heel duidelijk in ongunstige zin afwijkt van het gemiddelde, zowel in aantal als in resultaat.

(vii) Friesland Coberco Dairy Foods heeft over de jaren 2002-2004 kortingen opgelegd wegens mindere kwaliteit van de door [verweerder] geleverde melk.

(viii) Bij brieven van 17 december 2004 en 4 maart 2005 heeft de raadsman van [verweerder] [eiser] in gebreke gesteld. In laatstgenoemde brief is tevens de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van 4 september 2001 ingeroepen.

(ix) [Verweerder] heeft een rapport laten opmaken door [betrokkene 1]. In zijn rapport van 7 maart 2005 berekent [betrokkene 1] de schade die [verweerder] heeft geleden ten gevolge van uierontsteking bij zijn veestapel, als gevolg van het door [verweerder] gestelde niet deugdelijk functioneren van het melkwinningsysteem en het 4KGM-systeem, op € 26.075,--.

(x) Toen bleek dat [eiser] het systeem niet wenste terug te nemen, heeft [verweerder] het systeem verkocht voor € 30.000,--. Met een beroep op een rapportage van 21 maart 2005 van [betrokkene 1] heeft [verweerder] onbetwist gesteld dat het systeem per 1 april 2005 een dagwaarde van € 63.400,-- had.

3.2.1 [Verweerder] vordert in dit geding, kort samengevat, verklaringen voor recht dat [eiser] jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en dat hij ([verweerder]) de overeenkomst terecht heeft ontbonden. Hij vordert voorts veroordeling van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 276.935,-- (het verschil tussen aankoopprijs en dagwaarde van het gekochte systeem in 2005) en tot vergoeding van gevolgschade ten bedrage van € 111.430,10 en van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.160,--, alsmede schadevergoeding op te maken bij staat.

In reconventie heeft [eiser] betaling van € 15.460,35 gevorderd wegens onbetaald gelaten facturen voor reparatiewerkzaamheden.

3.2.2 De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van wanprestatie van [eiser], en heeft de vorderingen in conventie afgewezen en die in reconventie (tot een bedrag van € 11.410,35) toegewezen.

3.2.3 Op het hoger beroep van [verweerder], dat alleen de conventie betrof, heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [verweerder] alsnog toegewezen, met uitzondering van de vergoeding van gevolgschade ter zake waarvan het hof partijen verwezen heeft naar de schadestaatprocedure.

Het hof heeft daartoe, kort samengevat, als volgt overwogen.

a. in voldoende mate is komen vast te staan dat het geleverde melkwinningsysteem niet beantwoordde aan de koopovereenkomst, nu dit systeem niet betrouwbaar en technisch onvolkomen was (vooral de rov. 18 t/m 28);

b. [verweerder] was dan ook bevoegd om de koopovereenkomst op die grond te ontbinden zoals hij op 4 maart 2005 heeft gedaan (rov. 29);

c. het recht om de koopovereenkomst te ontbinden was op 4 maart 2005 niet verloren gegaan, aangezien [verweerder] conform art. 7:23 lid 1 BW [eiser] binnen bekwame tijd kennis heeft gegeven van het niet beantwoorden van het geleverde systeem aan de koopovereenkomst, en hij verder het recht van ontbinding heeft uitgeoefend binnen de tweejaarstermijn van art. 7:23 lid 2 BW (rov. 7, 8 en 9);

d. [eiser] is gehouden aan [verweerder] de aankoopprijs van het melkwinningsysteem, minus de dagwaarde ervan in maart 2005, terug te betalen (rov. 30);

e. [eiser] is ook gehouden de door [verweerder] gestelde en door [eiser] niet bestreden buitengerechtelijke kosten te vergoeden (rov. 33).

3.3 In cassatie wordt niet opgekomen tegen de hiervoor in 3.2.3 onder a en b weergegeven oordelen, dat aan de zijde van [eiser] sprake is van een toerekenbare tekortkoming en dat [verweerder] op grond daarvan op zichzelf gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden.

De onderdelen 1 en 2 richten evenwel klachten tegen de hiervoor onder c weergegeven oordelen in rov. 7-9. Daarin overwoog het hof als volgt:

"7. Het hof stelt voorop dat [verweerder] onbetwist heeft gesteld dat hij van meet af aan, direct na installatie van de eerste twee melkrobots op

28 november 2001, zich met klachten over het functioneren van het systeem heeft gewend tot (vertegenwoordiger(s)) van [eiser]. [Verweerder] heeft dus steeds zijn klachten kernbaar gemaakt. Dat dit het geval is geweest, zo constateert het hof, blijkt ook uit het logboek waarin de eerste klacht dateert van 3 december 2001. Vanaf dat moment is sprake van een voortdurende stroom van klachten van [verweerder] aan [eiser]. Derhalve is voldaan aan het vereiste dat [verweerder] binnen bekwame tijd na het ontdekken van de gebreken, in de zin van art. 7:23 lid 1 BW, daarvan melding heeft gemaakt aan [eiser].

8. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat het 4-KGM-systeem op 29 oktober 2003 is geïnstalleerd op het bedrijf van [verweerder]. Dit betekent dat eerst toen het geleverde systeem volledig geleverd was aan [verweerder]. Dit geldt temeer nu [verweerder] door [eiser] is voorgehouden (...) dat het systeem beter zou gaan functioneren wanneer het 4-KGM-systeem zou zijn geïnstalleerd. Het hof overweegt volledigheidshalve nog dat tussen partijen vaststaat dat het 4-KGM-systeem deel uitmaakte van de overeenkomst tussen partijen, zij het dat dit deel van het systeem pas later kon worden geleverd.

9. Uit het logboek blijkt voorts dat direct na installatie van het 4-KGM-systeem ook weer geklaagd is door [verweerder], waarop monteurs zijn gekomen.

De klachtenstroom heeft zich voortgezet tot februari 2005, waarna [verweerder] op 4 maart 2005 de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst heeft ingeroepen. Deze ontbinding heeft derhalve plaatsgevonden binnen de tweejaarstermijn van art. 7:23 lid 2 BW; van verjaring is derhalve geen sprake."

3.4 Onderdeel 1.1 betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 7 dat [verweerder] tijdig heeft geklaagd, onjuist is omdat het enkele feit dat [verweerder] klachten over het functioneren van het systeem heeft geuit, nog niet betekent dat ([eiser] had moeten begrijpen dat) het systeem volgens [verweerder] niet aan de overeenkomst beantwoordde, nu partijen tevens een onderhoudsovereenkomst hadden gesloten. Daarom had het op de weg van [verweerder] gelegen om [eiser] niet alleen op de hoogte te stellen van zijn klachten, maar ook mede te delen dat hij vond dat het systeem gelet op die klachten niet aan de overeenkomst beantwoordde.

Dit betoog treft geen doel. Het hof heeft zijn oordeel dat het geleverde melkwinningsysteem niet aan de overeenkomst beantwoordde (rov. 28) vooral hierop gegrond, dat het systeem ten gevolge van de herhaalde storingen telkens een of meer uren, oplopend tot een of meerdere dagdelen, plat ligt, hetgeen een aanzienlijk negatieve invloed op de bedrijfsvoering (welzijn van de koeien en kwaliteit van de melk) heeft, hetgeen [verweerder] niet behoefde te verwachten (rov. 24 en 26). In dat licht moet het oordeel van het hof in rov. 7 dat [verweerder] met zijn "voortdurende stroom van klachten" over de gebreken "binnen bekwame tijd na het ontdekken van de gebreken, in de zin van art. 7:23 lid 1 BW, daarvan melding heeft gemaakt" aldus verstaan worden, dat [verweerder] heeft geklaagd over het niet voldoen van het systeem aan de overeenkomst, en dat zulks voor [eiser] ook duidelijk was. Dat partijen tevens een onderhoudsovereenkomst hadden gesloten op grond waarvan [eiser] verplicht was tot herstel over te gaan, staat aan dat oordeel niet in de weg.

3.5.1 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 8-9 dat de buitengerechtelijke ontbinding heeft plaatsgevonden binnen de tweejaarstermijn van art. 7:23 lid 2 BW.

3.5.2 De onderdelen 2.1 - 2.1.3 kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat zij ten onrechte tot uitgangspunt nemen dat [verweerder] pas na aflevering van het 4-KGM-systeem heeft ontdekt of hoefde te ontdekken dat het melkwinningsysteem niet aan de overeenkomst beantwoordde. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] dat al na levering van de eerste twee melkrobots heeft ontdekt en daarover ook (met "een voortdurende stroom van klachten") geklaagd heeft, en dat zulks zich heeft voortgezet tot na de levering van het 4-KGM-systeem.

3.5.3 Volgens onderdeel 2.2 is voor ieder gebrek waarover [verweerder] heeft geklaagd een aparte verjaringstermijn gaan lopen, zodat zijn vordering verjaard is voor zover die is gebaseerd op klachten die meer dan twee jaren voor de stuiting van de verjaring ter kennis van [eiser] zijn gebracht.

Dit betoog kan niet leiden tot de conclusie dat de buitengerechtelijke ontbinding heeft plaatsgevonden na verloop van de in art. 7:23 lid 2 bedoelde verjaringstermijn. [eiser] was immers - ook afgezien van de onderhoudsovereenkomst - op grond van de koopovereenkomst gehouden telkens na een klacht over non-conformiteit het gebrek te herstellen (art. 7:21 lid 1, aanhef en onder b, BW). Nu na iedere poging tot herstel bleek dat het melkwinningsysteem nog niet naar behoren functioneerde, is telkens nadat [eiser] daarvan op de voet van art. 7:23 lid 1 (tijdig) in kennis was gesteld, ingevolge art. 7:23 lid 2 ook telkens een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen (vgl. Kamerstukken I 2001-2002, 27 809, nr. 323b, blz. 10). Daarom was de bevoegdheid van [verweerder] om tot ontbinding over te gaan niet verjaard. Hij heeft immers van die bevoegdheid gebruik gemaakt (ruim) binnen twee jaren nadat hij had geklaagd over het feit dat het melkwinningsysteem - ook na de levering van het 4-KGM-systeem dat volgens [eiser] tot een verbetering van het functioneren van het gehele systeem zou leiden, en ondanks de ook daarna nog gevolgde pogingen tot herstel - nog steeds niet aan de overeenkomst beantwoordde.

Het onderdeel faalt derhalve in zoverre.

3.5.4 Voor zover onderdeel 2.2 mede zou strekken ten betoge dat de vordering tot vergoeding van de gevolgschade is verjaard voor zover deze de in de beginperiode geleden gevolgschade betreft, kan zulks niet tot cassatie leiden. [Eiser] heeft in zijn conclusie van antwoord (onder 42-46) het beroep op de verjaring van art. 7:23 lid 2 uitsluitend gedaan ter zake van de ontbinding, en hij heeft - ook waar hij nadien stelde dat "de rechtsvordering" was verjaard - niet aangevoerd dat ter zake van de geleden gevolgschade(s) (telkens) een aparte verjaringstermijn is gaan lopen. Het hof heeft derhalve begrijpelijkerwijze slechts ter zake van de ontbinding onderzocht of sprake was van verjaring. Een beroep op verjaring ter zake van de vordering tot vergoeding van gevolgschade uit de beginperiode, dat een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, kan dan ook niet voor het eerst in cassatie gedaan worden.

3.5.5 Opmerking verdient overigens dat ingevolge art. 7:23 lid 2 een schadevordering in beginsel verjaart door verloop van twee jaren nadat (tijdig) is gereclameerd over het gebrek dat die schade heeft veroorzaakt, en dat voor een vordering ter zake van een andere schadepost als gevolg van een later aan het licht gekomen gebrek een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen nadat ter zake van dat later gebleken gebrek is gereclameerd. Dit is echter anders indien het gebrek aan de verkochte zaak, na herhaalde pogingen tot herstel daarvan, telkens terugkeert en telkens tot nieuwe (gevolg)schade leidt. In een zodanig geval, dat erdoor wordt gekenmerkt dat tijdig is gereclameerd nadat het gebrek zich voor het eerst voordeed, en dat daarna eveneens is gereclameerd over het terugkeren daarvan, is het in strijd met de strekking van deze bepaling de vordering tot vergoeding van de schade uit de beginperiode verjaard te achten omdat meer dan twee jaren sinds de eerste klacht(en) zijn verstreken.

3.6 De overige in cassatie aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.256,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op

15 april 2011.