Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0567

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
09/03594
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0567
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2009:BI4766, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen. De in art. 6:175 lid 2 BW bewerkstelligde verlegging van de risicoaansprakelijkheid van de gebruiker naar de bewaarder staat niet eraan in de weg dat gebruiker wegens een in zijn eigen onrechtmatig handelen of nalaten bestaande schending van een op hem rustende zorgplicht met betrekking tot de in bewaring gegeven gevaarlijke stof, op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is indien het in art. 6:175 lid 1 BW genoemde gevaar zich verwezenlijkt. Of bewaargever onrechtmatig heeft gehandeld, hangt af van weging van alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder kans op schade, aard en ernst eventuele schade en bezwaarlijkheid voorzorgsmaatregelen, maar ook op bij bewaargever als beroeps- of bedrijfsmatig gebruiker aanwezig te achten kennis van: geldende veiligheidsvoorschriften; (specifieke) overtredingen veiligheidsvoorschriften; kans op verwezenlijking van aan stof inherente bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken als gevolg van die overtredingen; andere opgeslagen stoffen en gevaren die (kunnen) ontstaan als stoffen met elkaar in aanraking komen; de opslagmethoden; de redelijkerwijs te treffen maatregelen om verwezenlijking genoemde gevaren te voorkomen, mate van urgentie van het treffen van zodanige maatregelen en tijdsbestek waarbinnen zij zouden kunnen worden gerealiseerd. Onvoldoende gemotiveerd oordeel hof dat bewaargever onrechtmatig heeft gehandeld, nu het niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/566
NJB 2011, 983
RAV 2011/75
NJ 2011/406 met annotatie van T.F.E. Tjong Tjin Tai
VR 2013/120
JWB 2011/246
JA 2011/108
JOM 2011/475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 april 2011

Eerste Kamer

09/03594

EV/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

MELCHEMIE HOLLAND B.V.,

gevestigd te Arnhem,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

1. DELBANCO MEYER & COMPANY LIMITED,

gevestigd te Londen, Groot Brittanië,

2. SPHERE DRAKE INSURANCE LIMITED,

gevestigd te Brighton, Groot Brittanië,

3. INTERCARGO INSURANCE COMPANY,

gevestigd te Schaumburg, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Melchemie en Delbanco c.s., de verweersters afzonderlijk als Delbanco, Sphere Drake en Intercargo.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 145376/HA ZA 06-1624 van de rechtbank Arnhem van 10 januari 2007 en 13 juni 2007;

b. het arrest in de zaak 104.004.243 van het gerechtshof te Arnhem van 21 april 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Melchemie beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Delbanco c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor Melchemie toegelicht door mrs. M.J. Schenck en J.M.E. Citteur, beiden advocaat te Amsterdam, en voor Delbanco c.s. door hun advocaat en mr. P.A. Fruytier, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

Zowel de advocaat van Delbanco c.s. als de advocaat van Melchemie heeft bij brief van 21 januari 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Sinds de jaren '80 heeft C.M.I. Containermasters (Nederland) B.V., hierna: CMI, goederen van Melchemie in opslag gehouden.

(ii) Bij beschikking van 12 november 1993 heeft de gemeente Rotterdam aan CMI een hinderwetvergunning verstrekt voor de aan de [a-straat 1, 2 en 3] te Rotterdam gelegen inrichting die bestemd is voor een op- en overslagbedrijf van koopmansgoederen en chemicaliën, waaronder gevaarlijke stoffen.

(iii) Bij brief van 13 juni 1995 heeft de Milieudienst Rijnmond, hierna: DCMR, CMI onder meer het volgende bericht:

"Op 11 mei 1995 is uw inrichting aan de [a-straat 3] in Rotterdam bezocht door medewerkers van de DCMR Milieudienst Rijnmond. Hierbij is gecontroleerd op de naleving van de Wet milieubeheer en op de afvoer van afvalstoffen. De overtredingen die hierbij zijn geconstateerd zijn hieronder vermeld.

(...)

Niet naleven vergunningvoorschriften

Tijdens genoemd bezoek is geconstateerd dat:

- diverse slanghaspels en poederblussers niet terug te vinden waren en daarmee niet voor onmiddellijk gebruik beschikbaar waren (voorschriften 2.1, 2.2, 2.3, 2.4 en 2.6):

- een branddetectiesysteem is aangebracht, waarvan de goede werking niet is beproefd en dat niet aangesloten is op een automatische brandmeldinstallatie (voorschriften 2.7 en 2.8);

- loodsdeuren niet voorzien zijn van opschriften "Verboden te Bestuwen " (voorschriften 2.10 en 2.12);

- geen padbreedte van minimaal 2 meter achter de niet te bestuwen deuren wordt aangehouden (voorschrift 2.11);

- in de inrichting geen schuimvormend middel of schuimcontract aanwezig is (voorschrift 2.14);

- niet dagelijks een journaal voor de opslag van gevaarlijke stoffen wordt bijgehouden en op het journaal de locaties niet juist zijn aangegeven (voorschrift 2.15);

- in loods 39 brandbare vloeistoffen met een vlampunt < 55°C opgeslagen werden en in loods 27 behalve klasse 5.1 ook klasse 4.2 en 8 opgeslagen werd (voorschrift 3.2);

- op het open terrein onder de overkapping meer dan 100 ton brandbare vloeistoffen met een vlampunt < 55°C opgeslagen werden (voorschrift 3.4);

- gevaarlijke stoffen onder de overkapping niet in klampen met een klampoppervlakte van 50 m en een klampafstand van 3 meter worden opgeslagen (voorschriften 3.6 en 3.7);

- geen afstand van 5 meter tussen de opslag van gevaarlijke stoffen en een tot de inrichting behorend gebouw wordt aangehouden (voorschrift 3.8);

- het open terrein onder de overkapping niet voorzien is van een vloeistofdichte vloer met opstaande randen (voorschrift 3.9);

- de bakconstructie voor bluswateropvang niet getest is (voorschrift 3.10);

- de vloer van loods 39 door de aanwezigheid van scheurtjes als niet vloeistofdicht beoordeeld kan worden en niet voorzien is van opstaande drempels (voorschrift 3.11);

- gevaarlijke stoffen in de loodsen 27 en 29 in grotere klampen dan 300 m3 per klamp, zonder gangpaden van 3 meter en te hoog worden opgeslagen (voorschrift 3.12);

-in de inrichting pas na september 1995 deskundigheid op het gebied van gevaarlijke stoffen beschikbaar komt (voorschrift 3.21);

- loodchromaat in niet-gesloten verpakking in de inrichting aanwezig is (voorschriften 4.1 en 4.3);

- niet alle hulpmiddelen (adembescherming, laarzen, vatenpomp inclusief toebehoren en absorptiemiddelen) ter bestrijding van incidenten in de inrichting aanwezig zijn (voorschrift 5.1);

-een lekkage aan een vat met brandbare vloeistoffen niet afdoende verholpen is (een dergelijk vat moet ook nog in een overmaats vat geplaatst worden) (voorschrift 5.5);

- niet op alle in de vergunning aangegeven plaatsen een "Roken en Vuur" verbod is aangebracht (voorschrift 6.2);

- de bovengrondse gasolietank niet voorzien is van een ontluchtingsleiding en een vloeistofdichte omwalling (voorschriften 10.4 en 10.9);

- de afleverinstallatie niet is uitgevoerd overeenkomstig CPR 9-1 en geen afleverinstelling heeft (voorschriften 11.1 en 11.2).

Hiermee overtreedt u de voorschriften 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 2.7, 2.8, 2.10, 2.11, 2.12, 2.14. 2.15, 3.2, 3.4, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9, 3.10, 3.11. 3.12. 3.21, 4.1, 4.3. 5.1. 5.5. 6.2, 10.4, 10.9, 11.1 en 11.2 van bovengenoemde vergunning. (...)

Door u te ondernemen acties

U dient met onmiddellijke ingang voorschrift 2.15 en 5.5 na te leven.

U dient binnen één maand na dagtekening van deze brief de overige voorschriften na te leven.".

(iv) Op 20 juni 1995 heeft [betrokkene 1], destijds logistiek manager zwembadchemicaliën van Melchemie, aan [betrokkene 2], toen directeur van Melchemie, intern gerapporteerd over een bezoek van [betrokkene 3], toentertijd directeur van CMI, aan Melchemie in Arnhem. In het rapport staat onder meer:

"Onlangs werd [betrokkene 3] bezocht door een (jonge ambitieuze) ambtenaar van de hinderwet. Deze maakte hem duidelijk dat de voorraad chloorproducten niet conform de bestaande hinderwetvergunning was opgeslagen. Bij eerdere controles was er nooit een probleem (men kneep weleens een oogje toe).

Nu echter dient CMI onverwijld de volgende aanpassingen te verrichten:

- pallets van 4 hoog naar 3 hoog brengen.

- klampen maken van max. 300 m

- paden tussen de klampen van min. 4 meter breedte.

Door deze aanpassingen zal het benodigde vloeroppervlak aanzienlijk toenemen wat helaas zal leiden tot een verhoging van de opslagkosten.

Op dit moment betalen wij Fl. 6,75 per ton per maand. Dit bedrag is al meer dan 10 jaar niet verhoogd, en is in vergelijk met ruimte elders nog steeds zéér laag. De voorzieningen die nodig zijn voor opslag van gevaarlijke stoffen (CPR 15-2 richtlijn) zijn zodanig dat wij elders het drievoudige aan opslag betalen.

Als de aanpassingen zijn gemaakt zal hij ons de nieuwe prijs doorgeven.

Overigens is CMI in een vergevorderd stadium om naar een nieuw pand in de Botlek te verhuizen. De lokatie aan de [a-straat] is dermate verouderd en verpauperd dat een verhuizing onontkoombaar is. Met deze verhuizing is een investering gemoeid van 7 miljoen. Het wachten is op toestemming van de bank.

[Betrokkene 3] houdt ons van de ontwikkelingen op de hoogte.".

Op dit 'bezoekrapport' heeft [betrokkene 2] aangetekend: "vervolgens 2e inspectie Febr. '96!".

(v) In februari 1996 hield CMI in loods 27 voor Delbanco een partij paardenhaar ('horsehair and bristle') van circa 100.000 kg in opslag. Op 28 februari 1996 is brand ontstaan in de naast loods 27 gelegen loods 29, waarin chemische stoffen van Melchemie, waaronder de oxiderende stof calciumhypochloriet (CH), waren opgeslagen. De brand in loods 29 is overgeslagen naar loods 27. Daardoor is de zending paardenhaar geheel verloren gegaan.

(vi) Met betrekking tot de oorzaak van de brand kan worden uitgegaan van het volgende. In loods 29 is een blauw vat met chemicaliën met een gewicht van 60 kg., dat in strijd met de veiligheidsvoorschriften door CMI nabij vaten met calciumhypochloriet was geplaatst, op vaten met calciumhypochloriet gevallen, waarbij calciumhypochloriet uit de verpakking is geraakt en met de chemicaliën uit het blauwe vat in aanraking is gekomen, als gevolg waarvan de brand is ontstaan.

(vii) Sphere Drake en Intercargo hebben als verzekeraars van Delbanco op grond van de polis aan Delbanco een bedrag van £ 500.000,-- uitgekeerd als vergoeding van schade, geleden aan de zending paardenhaar.

(viii) Delbanco c.s. hebben Melchemie aansprakelijk gehouden voor de brandschade aan de zending paardenhaar, te vermeerderen met eventuele vernietigings- en opruimingskosten.

3.2.2 Delbanco c.s. hebben gevorderd voor recht te verklaren dat Melchemie aansprakelijk is voor de schade, ontstaan door de teloorgang van de genoemde zending paardenhaar, en Melchemie te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Hieraan hebben Delbanco c.s., naar de kern genomen, het volgende ten grondslag gelegd. Melchemie heeft jegens Delbanco toerekenbaar onrechtmatig gehandeld door in strijd met haar zorgplicht - na de interne rapportage op 20 juni 1995 van door DCMR geconstateerde schendingen van veiligheidsvoorschriften, die haar had moeten doen betwijfelen of de stoffen bij CMI adequaat waren opgeslagen - na te laten de stoffen elders in bewaring te geven en ook andere ter voorkoming van de verwezenlijking van het aan de stoffen inherente gevaar van haar te vergen maatregelen te treffen, doch in plaats daarvan de aan CMI op grond van bewaarneming toevertrouwde hoeveelheid stoffen juist te vergroten.

3.2.3 Melchemie heeft betwist haar zorgplicht te hebben geschonden. Zij stelt dat zij niet bekend was met de inhoud van de aan CMI verstrekte hinderwetvergunning, dat zij, mede gelet op de toon van het bezoekrapport, midden jaren negentig, niet behoefde te beseffen dat sprake was van een serieuze bedreiging van de veiligheid en niet spontaan behoefde te onderzoeken of CMI als professioneel bewaarder, die zij juist met het oog op de opslag van de onderhavige stoffen in de arm had genomen, de vergunningsvoorschriften naleefde. Voorts bestrijdt Melchemie dat causaal verband bestaat tussen de beweerde schending van haar zorgplicht en de schade.

3.2.4 De rechtbank heeft de vordering van Delbanco c.s. afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat Melchemie jegens Delbanco c.s. aansprakelijk is voor de schade, geleden doordat bij de op 28 februari 1996 bij CMI uitgebroken brand Delbanco's zending paardenhaar verloren is gegaan, en heeft Melchemie veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

4. Beoordeling van het middel

4.1 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een gevaarlijke stof gebruikt of onder zich heeft, waarvan bekend is dat die zodanige eigenschappen bezit, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, is, ingevolge art. 6:175 lid 1 BW, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Bevindt deze stof zich echter in de macht van een bewaarder die er zijn bedrijf van maakt een zodanige stof op te slaan, dan rust deze aansprakelijkheid uit het eerste lid op de bewaarder. De aldus door de wet bewerkstelligde verlegging van de risicoaansprakelijkheid van de gebruiker naar de bewaarder staat echter niet eraan in de weg dat de gebruiker wegens een in zijn eigen onrechtmatig handelen of nalaten bestaande schending van een op hem rustende zorgplicht met betrekking tot de in bewaring gegeven gevaarlijke stof, op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is indien het in het eerste lid van art. 6:175 genoemde gevaar zich verwezenlijkt (zie ook Kamerstukken II, 1990-1991, 21 202, nr. 3, blz. 6; nr. 6, blz. 2, 3, 14 en 21).

Of de bewaargever in dat opzicht heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door na te laten de zorg te betrachten die in de gegeven situatie van hem mocht worden verlangd, hangt af van een weging van alle relevante omstandigheden van het geval. Deze afweging dient te geschieden in het licht van de aard van de onderhavige zorgplicht welke erop is gericht zoveel mogelijk te voorkomen dat het aan de in bewaring gegeven stof inherente gevaar van ernstige aard voor personen of zaken zich verwezenlijkt. Daarbij moet in het bijzonder acht worden geslagen op de kans op schade, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van te nemen voorzorgsmaatregelen, maar ook op de bij de bewaargever als beroeps- of bedrijfsmatig gebruiker aanwezig te achten kennis van:

- de geldende veiligheidsvoorschriften voor opslag van de bewuste stof;

- (de specifieke) overtredingen van die veiligheidsvoorschriften;

- de kans op verwezenlijking van het aan de stof inherente bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken als gevolg van die overtredingen;

- andere aldaar opgeslagen stoffen en de gevaren die (kunnen) ontstaan als de stoffen met elkaar in aanraking komen;

- de opslagmethoden, nodig om een aan de gehanteerde wijze van opslaan verbonden gevaar te kunnen onderkennen;

- de redelijkerwijs te treffen maatregelen om de verwezenlijking van de hiervoor genoemde gevaren te voorkomen, de mate van urgentie van het treffen van zodanige maatregelen en het tijdsbestek waarbinnen zij zouden kunnen worden gerealiseerd.

4.2 Het hof heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat op Melchemie, enkel door de opslag van haar chemische stoffen uit te besteden aan CMI, niet de verplichting kwam te rusten om te controleren of CMI zich hield aan de voorschriften die toentertijd golden voor opslag van die stoffen.

Het heeft vervolgens de schending van de zorgplicht van Melchemie hierop gebaseerd dat van haar mocht worden verlangd dat zij zich na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995, op de hoogte stelde van de veiligheidssituatie in de loodsen van CMI waarin haar oxiderende stoffen lagen opgeslagen en dat zij, door dat na te laten en zich onvoldoende in te spannen om het voortduren van een situatie als die waardoor de brand heeft kunnen ontstaan, tegen te gaan, haar zorgplicht heeft geschonden en onrechtmatig jegens Delbanco heeft gehandeld. Het volgende, kort samengevat, heeft het hof daartoe redengevend geoordeeld.

Van Melchemie mocht worden verlangd dat zij bekend was met de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxiderende stof, waaronder brandgevaar. Zij kende het op preventie tegen rampen met gevaarlijke stoffen gerichte advies van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen inzake de "opslag van gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden" (CPR 15-2 Richtlijn), waarin voorschriften voor de opslag van gevaarlijke stoffen waren vervat. Niet doorslaggevend is hoe specifiek Melchemie in dit geval bekend was of moest zijn met de voorschriften voor de opslag van de oxiderende stof. Het gaat erom dat zij heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen, dat de voorschriften voor de opslag van de onderhavige stof er mede toe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan deze stof, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken (rov. 4.15). Evenmin is doorslaggevend of Melchemie bekend was met de inhoud van de hinderwetvergunning van CMI. Melchemie, die wist dat CMI voor de opslag een hinderwetvergunning nodig had, mag ook geacht worden te hebben geweten dat de voorschriften die waren verbonden aan die vergunning mede ertoe strekten de kans te beperken dat de genoemde bijzondere gevaren zich zouden verwezenlijken (rov. 4.16). Melchemie is, zoals blijkt uit het bezoekrapport van 20 juni 1995, erop geattendeerd dat DCMR had geconstateerd dat de oxiderende stof niet conform de voorschriften van de hinderwetvergunning was opgeslagen. Blijkens de in dat bezoekrapport vermelde aanpassingen die onverwijld door CMI moesten worden verricht, ging het om voorschriften die mede ertoe strekten de kans te beperken dat de genoemde gevaren zich zouden verwezenlijken (rov. 4.18). Melchemie wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij uit de inhoud of de toon van het bezoekrapport heeft mogen begrijpen dat het niet zo'n vaart zou lopen en dat zij midden jaren negentig nog niet hoefde te beseffen dat sprake was van een serieus te nemen probleem. Melchemie heeft zich begin 1992 bemoeid met een aantal door haar bij CMI geconstateerde tekortkomingen, waaronder het niet separaat opslaan van calciumhypochloriet, door Melchemie aangeduid als "in strijd met onze voorschriften" dat "een groot risiko voor explosies in de hand werkt". Een andere door Melchemie toen geconstateerde tekortkoming betrof "het dermate hoog opstapelen van goederen, zodat schade aan onze verpakkingen is toegebracht". Melchemie heeft CMI toen verzocht haar per omgaande mee te delen welke maatregelen CMI dacht te treffen "om genoemde gebreken met onmiddellijke ingang te voorkomen" (rov. 4.19). Blijkens het bezoekrapport was ook in 1995 onder andere sprake van te hoog opstapelen. Zoals blijkt uit haar bemoeienissen van begin 1992 wist Melchemie dat te hoog opstapelen het risico opleverde dat schade werd toegebracht aan de verpakking waarin calciumhypochloriet werd bewaard. Een dergelijke schade vergroot het risico dat calcium-hypochloriet uit de verpakking raakt en dat een bijzonder gevaar van ernstige aard verbonden aan de oxiderende stof, waaronder brand- en explosiegevaar, zich verwezenlijkt (rov. 4.20). Melchemie heeft onvoldoende toegelicht waarom zij in 1995 niet in actie hoefde te komen terwijl zij in 1992 wel is opgetreden. Ook als juist is dat CMI de geconstateerde overtredingen niet als een serieus probleem heeft gepresenteerd aan [betrokkene 1] van Melchemie, had [betrokkene 2], toen hij als directeur van Melchemie kennisnam van het bezoekrapport, zich behoren te realiseren dat Melchemie, die de risico's van de oxiderende eigenschappen geacht werd te kennen, zelf poolshoogte had moeten nemen bij CMI om de veiligheidssituatie in ogenschouw te nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had, ook al bleek uit het bezoekrapport dat de opslagomstandigheden in de toekomst door een verhuizing zouden verbeteren (rov. 4.21). Ook indien DCMR CMI tot aan februari 1996 de tijd zou hebben gegeven de benodigde maatregelen te treffen, had Melchemie in de tussentijd zich met CMI moeten verstaan over de door DCMR geconstateerde tekortkomingen. Publiek toezicht ontslaat Melchemie immers niet van haar private verantwoordelijkheid op dit punt (rov. 4.22).

4.3 Deze redengeving is onvoldoende om het oordeel van het hof dat Melchemie onrechtmatig jegens Delbanco heeft gehandeld, te dragen.

Het hof heeft doorslaggevend geacht dat Melchemie - in algemene zin - bekend was met de voor de opslag van stoffen als calciumhypochloriet bestaande voorschriften van de CPR 15-2 Richtlijn en de aan de hinderwetvergunning verbonden voorschriften en dat Melchemie wist dat die voorschriften ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan deze stof, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken, zulks in samenhang met de omstandigheid dat Melchemie ervan op de hoogte was dat de opslag van calciumhypochloriet bij CMI op een aantal punten, waaronder de stapeling, in strijd was met die voorschriften. Aldus heeft het hof echter niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Zo heeft het kennelijk geen aandacht besteed aan de vraag hoe groot de kans was dat als gevolg van de geconstateerde en bij Melchemie bekende overtredingen door CMI van de voorschriften van de hinderwetvergunning het aan het opgeslagen calciumhypochloriet inherente bijzondere gevaar van ernstige aard voor personen of zaken, met name het brandgevaar, zich zou verwezenlijken, en evenmin aan de mate van urgentie van het treffen van maatregelen om dat gevaar zoveel mogelijk weg te nemen, terwijl het hof zich ook niet heeft gebogen over de vraag welke concrete maatregelen van Melchemie op dit punt redelijkerwijs konden worden verlangd. Hierbij geldt in het bijzonder (a) dat het hof niet heeft vastgesteld dat door de wijze van stapeling van het calciumhypochloriet schade was toegebracht aan de verpakking ervan, terwijl dat in 1992 wel het geval was, zodat niet valt in te zien waarom het ingrijpen door Melchemie in 1992 redengevend kan zijn voor het oordeel van het hof dat zij ook in 1995 actie had moeten ondernemen en (b) dat het hof evenmin heeft vastgesteld dat de oorzaak van de brand valt terug te voeren op een overtreding van de veiligheidsvoorschriften (de plaatsing van een blauw vat met chemicaliën nabij vaten met calciumhypochloriet) waarvan noch in het bericht van DCMR aan CMI van 13 juni 1995 noch in het bezoekrapport van 20 juni 1995 als zodanig melding is gemaakt. Indien voorts (met het hof) veronderstellenderwijs als juist wordt aangenomen dat DCMR aan CMI tot aan februari 1996 de tijd heeft gegeven de benodigde maatregelen te treffen, zou de situatie rond de opslag van het calciumhypochloriet bij CMI niet zodanig urgent zijn geweest dat terstond (nadere) maatregelen dienden te worden getroffen om te voorkomen dat het aan de in bewaring gegeven stof inherente gevaar van ernstige aard voor personen of zaken zich zou verwezenlijken. In het licht daarvan is evenmin duidelijk op grond waarvan de zorgplicht van Melchemie meebracht dat zij "in de tussentijd" zich met CMI had moeten verstaan over de door DCMR geconstateerde tekortkomingen.

De hierop gerichte klachten van de onderdelen 1 en 3 slagen dan ook.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat het arrest niet in stand kan blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 21 april 2009;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Delbanco in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Melchemie begroot op € 469,43 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numannn op 29 april 2011.