Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0296

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/00724
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0296
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Promis. Bewijsklacht. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BA0424 m.b.t. een Promisbewijsvoering. Het Hof heeft in zijn bewijsmotivering onder meer overwogen dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op de aanwezigen in het wedkantoor. Door daarbij niet te verwijzen naar enig bewijsmiddel waaraan het die vaststelling heeft ontleend, heeft het Hof niet voldaan aan de vereiste mate van nauwkeurigheid. De HR merkt nog op dat voor zover het middel is gebaseerd op de opvatting dat van bedreiging met geweld in de zin van art. 312 Sr geen sprake kan zijn indien de persoon tegen wie die bedreiging is gericht zich niet bedreigd heeft gevoeld het geen steun vindt in het recht (vgl. HR LJN AD2096).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 februari 2011

Strafkamer

nr. 09/00724

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 februari 2009, nummer 22/004256-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

2.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 29 oktober 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan wedkantoor [A], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 1] en/of het richten van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het in het wedkantoor aanwezige publiek en daarbij dreigend tegen dat publieke roepen: "liggen"."

2.2.2. Met betrekking tot de bewijsvoering houdt 'Hofs arrest - met inbegrip van 20 voetnoten - het volgende in:

"De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Op grond van het procesdossier, het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken1.

Op maandag 29 oktober 2007, omstreeks 21.45 uur, werden surveillanten, via de Centrale Meldkamer van de politie Haaglanden, gestuurd naar [A] (tevens genaamd: "[A]") gevestigd in de [a-straat 1] te Den Haag, alwaar een gewapende overval zou hebben plaatsgevonden.2 Ter plaatse gekomen bleek uit verklaringen van getuigen het volgende: De overval was gepleegd door twee mannen, te weten een man met een donkere, negroïde huidskleur en een man die als vermomming een griezelmasker droeg; de man met het griezelmasker was in het bezit van een vuurwapen; ten tijde van de overval was er een personeelslid van het wedkantoor werkzaam achter de balie en was er verder een aantal klanten in het pand aanwezig;3 de medewerker moest onder bedreiging van een vuurwapen het geld uit de kluis van het bedrijf afstaan, terwijl de andere dader het geld uit de kassalade wegnam.4

Op maandagavond 29 oktober 2007 heeft [slachtoffer 1], in zijn hoedanigheid van wedkantoorhouder aangifte gedaan van diefstal met geweld.5 Op 8 november 2007 heeft [betrokkene 1], de manager van wedkantoren "[A]" eveneens aangifte gedaan van diefstal. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat er een geldbedrag van € 12.127,- is weggenomen.6

Van de overval werden beelden opgenomen door het gesloten camerabeveiligingssysteem, aanwezig in het wedkantoor.7 Op 18 december 2007 werd in een landelijke uitzending van AVRO's Opsporing Verzocht een opsporingsitem uitgezonden met betrekking tot de overval op het wedkantoor. Op dinsdag 8 januari 2008 werd dit item kort herhaald. Na deze laatste uitzending kwam er bij de politie een melding binnen van een medewerker van de Stichting [B], een begeleid-wonen-project, dat zij een bewoner had herkend als één van de daders. Deze bewoner is genaamd: [medeverdachte].8

Verdachte [medeverdachte 1] is op 11 januari 2008 aangehouden.9 [medeverdachte 1] wordt door verbalisanten herkend als één van de daders op de camerabeelden.10 Op 6 februari 2008 legt [medeverdachte 1] een bekennende verklaring af waarin hij onder meer verklaart dat hij op de avond van 29 oktober 2007 samen met medeverdachte [medeverdachte 2], de verdachte en diens broer [betrokkene 2] naar Den Haag is gereden en samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de overval heeft gepleegd op het wedkantoor aan de [a-straat 1] te Den Haag.11

Aanvankelijk ontkennen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] dat zij bij de overval op het wedkantoor aan de [a-straat 1] te Den Haag betrokken zijn geweest. Tijdens de verhoren bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg beroepen zij zich op hun zwijgrecht.

Bij brief van 26 november 2008, nadat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] in eerste aanleg inmiddels zijn veroordeeld en hoger beroep hebben ingesteld, delen hun raadslieden mede dat hun cliënten nader over de feiten wensen te verklaren. Op 24 december 2008 legt de verdachte tegenover de politie een verklaring af waarin hij zijn betrokkenheid bij de overval erkent.12 Medeverdachte [medeverdachte 2] legt op 13 januari 2009 tegenover de politie een verklaring af.13 Ter terechtzitting in hoger beroep op 22 januari 2009 leggen de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] eveneens een verklaring af met betrekking tot de gebeurtenissen op 29 oktober 2007.

De verdachte verklaart evenals zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de avond van 29 oktober 2007 het wedkantoor aan de [a-straat 1] te Den Haag zijn binnengegaan. [medeverdachte 2] droeg daarbij een masker en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. [Medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben tegen de aanwezigen geroepen dat zij moesten gaan liggen. Voorts hebben zij geld uit de kluis en de kassa gepakt en meegenomen.14 Het buitgemaakte geld is daarop in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] verdeeld tussen de verdachte, medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en een vierde persoon.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben verklaard dat de overval eigenlijk een "nepoverval" was omdat deze werd uitgevoerd op verzoek van en in overleg met medewerkers van het wedkantoor. Ten tijde van de overval in het wedkantoor zouden slechts mensen aanwezig zijn geweest die van deze geënsceneerde overval op de hoogte waren.

Zij verklaren voorts dat [slachtoffer 1], de wedkantoorhouder, de initiatiefnemer was en over de geplande overval verschillende keren contact had met de verdachte. [Slachtoffer 1] bepaalde wanneer de overval plaats zou moeten vinden, namelijk op een moment dat er voldoende geld in de kluis zou zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat door zijn tussenkomst de medeverdachten bij de zaak betrokken zijn geraakt, dat hij de bewuste avond is meegegaan naar Den Haag, dat hij wist dat van een masker en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gebruik zou worden gemaakt en dat hij heeft meegedeeld in de buit.

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoons van de verdachten is gebleken dat in de mobiele telefoon van de verdachte het telefoonnummer van [slachtoffer 1] was opgeslagen.

Voorts is er daags na de overval telefonisch contact geweest tussen de mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] en de telefoons van [slachtoffer 1] en diens broer [betrokkene 3].15 [Betrokkene 3] en [slachtoffer 1] zijn naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek door de politie als verdachte gehoord, maar niet voor betrokkenheid bij de overval veroordeeld.16

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte van het aan hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er - gelet op de betrokkenheid van [slachtoffer 1] bij de overval en het feit dat de overige aanwezigen hiervan op de hoogte waren - geen sprake was van diefstal en afpersing maar van het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Nu dat feit niet is tenlastegelegd, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 29 oktober 2007 samen met medeverdachte [medeverdachte 2] en een vierde persoon met de auto naar Den Haag zijn gereden.

Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben die avond een overval gepleegd op het wedkantoor aan de [a-straat 1] te Den Haag en hebben daarbij een geldbedrag buitgemaakt. [Medeverdachte 2] heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op de aanwezigen in het wedkantoor en tegen de aanwezigen geroepen dat zij moesten gaan liggen.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een vooropgezet plan waarbij een of meer medewerkers van het wedkantoor betrokken waren.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier evenwel geen, althans onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van de verdediging dat alle personen die op 29 oktober 2007 in het wedkantoor aanwezig waren, tevoren op de hoogte waren van de geplande overval. Het hof wijst in dit verband naar de verklaring van getuige [getuige 1]17 en de verklaring van de verdachte zelf inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte 1] niet alléén in het wedkantoor naar binnen durfde te gaan omdat daar veel meer mensen aanwezig bleken te zijn dan tevoren was afgesproken18. Door geen van de (mede)verdachten is gesteld dat zij wisten wie er naast [slachtoffer 1] in het wedkantoor aanwezig waren.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], dat hij alleen een masker op had en een (nep) vuurwapen bij zich had gestoken om de overval "echt" te laten lijken in verband met de aanwezigheid van veiligheidscamera's verhoudt zich voorts niet tot de uit verklaring van de verdachte volgende vooronderstelling dat de camera's door de betrokken medewerker van het wedkantoor zouden zijn weggedraaid19 en de verklaring van [medeverdachte 1], dat de camera's uit zouden worden gedaan20.

Een en ander brengt mee dat er van moet worden uitgegaan dat het handelen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voor aanwezigen in het wedkantoor zodanig bedreigend is geweest - met name door het (nep)vuurwapen (en het richten daarvan op één of meer van de aanwezigen) in combinatie met het bevel te gaan liggen - dat het deze medeverdachten mede daardoor mogelijk en gemakkelijk is gemaakt ongehinderd het geld weg te nemen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het feit dat medewerkers van het wedkantoor mogelijk betrokken waren bij de overval op het wedkantoor niet dient te leiden tot een vrijspraak van de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal nu de aangifte en de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten wettig en overtuigend bewijs leveren dat de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan - naar alle uiterlijke kenmerken - een gewapende overval.

Voetnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde pagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, opgenomen in dossier nr. PL1514/2007/59244, van politie Haaglanden.

2 Proces-verbaal van 13 januari 2008, nr.: PL1514/2007/59244-29, dossier blz. 5 en proces-verbaal van 30 oktober 2007, nr. PL1514/2007/59244-4, dossier blz. 34.

3 Zie noot 2.

4 Zie noot 2.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 30 oktober 2007, nr. PL1514/2007/59244-4, dossier blz. 34-38.

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2007, nr. PL1514/2007/59244-12, dossier blz. 39 en 40.

7 Zie noot 2.

8 Zie noot 2, blz. 7.

9 Proces-verbaal van aanhouding, d.d. 11 januari 2008, nr. PL1514/2007/59244-15, dossier blz. 20.

10 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 januari 2008, nr. PL1514/2007/59244-35, dossier, blz. 45.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 6 februari 2008, nr. PL1514/2007/59244-82, dossier blz. 223-232.

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 december 2008, nr. PL1514/2007/59244-191, dossier blz. 542-551.

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], d.d. 13 januari 2009, nr. PL1514/2007/59244-193, dossier blz. 552-559.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], d.d. 6 februari 2008, nr. PL1514/2007/59244-82, dossier blz. 223-232.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2008, nr. PL1514/2007/59244-174, dossier blz. 447-449.

16 Processen-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 3] d.d. 22 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-143 en PL1514/2007/59244-146) en 23 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-147), dossier blz. 450-471 Processen verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer 1] d.d. 28 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-156 en PL1514/2007/59244-158) en 29 maart 2008 (nr. PL1514/2007/59244-159), dossier blz. 472-491.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 30 oktober 2007, nr. PL1514/2007/59244-3, dossier blz. 47-50.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 december 2008, nr. PL1514/2007/59244-191, dossier blz. 542-551.

19 Zie noot 18.

20 Zie noot 14."

2.3. De werkwijze die het Hof in de onderhavige zaak heeft gevolgd ten aanzien van de bewijsmotivering, komt hierop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat, en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In zo'n geval behoort de verwijzing naar de bewijsmiddelen zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd (vgl. HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007/387 rov. 5.6.1).

2.4. Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven bewijsmotivering onder meer overwogen dat de medeverdachte "een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (heeft) gericht op de aanwezigen in het wedkantoor". Door daarbij niet te verwijzen naar enig bewijsmiddel waaraan het die vaststelling heeft ontleend, heeft het Hof niet voldaan aan de hiervoor bedoelde mate van nauwkeurigheid.

2.5. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd. De hierop betrekking hebbende klacht van het middel is terecht voorgesteld.

2.6. Opmerking verdient nog het volgende. Voor zover het middel is gebaseerd op de opvatting dat van "bedreiging met geweld" in de zin van art. 312 Sr geen sprake kan zijn indien de persoon tegen wie die bedreiging is gericht, zich niet bedreigd heeft gevoeld, vindt het geen steun in het recht (vgl. t.a.v. art. 317 Sr HR 26 april 1994, LJN AD2096, NJ 1994/580).

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 februari 2011.