Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0255

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
08/03891 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0255
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. De stelling dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaken 15 en 22 door tweeën had moeten worden gedeeld kan niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/477
NJ 2011/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2011

Strafkamer

nr. 08/03891 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, van 19 augustus 2008, nummer 21/001974-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak waarvan beroep en

tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof, teneinde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. De Hoge Raad begrijpt het middel aldus dat het klaagt

dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de medeverdachte [medeverdachte] voor zijn bemoeienissen (slechts) € 200,- heeft gekregen omdat "er vanuit dient te worden gegaan" dat die medeverdachte voor de helft heeft meegedeeld in het door het Hof aan de betrokkene toegerekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.2. De bestreden uitspraak houdt omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

(...)

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van EUR 14.923,00 (veertienduizend negenhonderddrieëntwintig euro).

Het hof komt als volgt tot deze schatting:

(...)

Zaak 15, waarin veroordeelde, [betrokkene 1] en [medeverdachte] de betrokkenen zijn, betreft stortingen (op rekening van [betrokkene 2]) van 15 valse biljetten van 500 euro, en wel:

- op 18/12/04 aan de Kneuterdijk in Den Haag om 21.30 uur: 500 euro en om 21.31 uur 4.000 euro en

- op 19/12/04 eveneens aan de Kneuterdijk in Den Haag om 20:34 uur 500 euro en om 20:36 uur 2500 euro.

Het geld is op verschillende locaties in zijn geheel (7.500 euro) opgenomen, onder meer op 20-12-2004, 00:12 uur op het Zuidplein te Rotterdam (opname: 1.000 euro). De beeldopname die op dat tijdstip is gemaakt laat [medeverdachte] zien. [medeverdachte] heeft verklaard dat de man die bij hem was (toen hij stortte) [betrokkene 3] was. Hij zegt: [betrokkene 3] was er vaak bij als ik samen met [betrokkene] (de veroordeelde [betrokkene], begrijpt het hof) geld moest storten en opnemen. [betrokkene 3] heeft ook geld gestort.

[Betrokkene 3] was er nooit bij als hij geld moest storten of opnemen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. [Betrokkene 3] was er alleen bij als hij geld moest storten van [betrokkene]. Hij weet alleen dat [betrokkene 3] een vriend van [betrokkene] is. Hij weet niet of [betrokkene 3] er bij was toen hij het geld op 20-12-04 weer opnam. Op de vraag: 'Van wie heb jij in deze zaak opdracht gekregen om het valse geld te storten en weer op te nemen' antwoordde [medeverdachte]: '[betrokkene] heeft mij in deze zaak opdracht gegeven. [Betrokkene] heeft ons in deze zaak samen gestuurd. Ik bedoel samen met [betrokkene 3]. Ik heb het valse geld, de bankpas met pincode ontvangen van [betrokkene]'.

[Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij geld kocht en verkocht. Hij verkocht valse biljetten aan [medeverdachte] en [betrokkene] (veroordeelde).

Het hof acht aannemelijk dat [medeverdachte] voor zijn bemoeienissen in deze zaak 200 euro van veroordeelde heeft gekregen. Het hof zal voorts, gelet op deze verklaring van [medeverdachte], ervan uitgaan dat [betrokkene 1] niet heeft geprofiteerd van het opgenomen geld in deze zaak en dat deze alleen de 15 door hem voor 160 euro per stuk ingekochte bankbiljetten heeft verkocht voor 180 euro per stuk.

De opbrengst van de transacties in deze zaak

bedraagt 7.500 euro

Af: Inkoopkosten valse biljetten:

15 x 180 = 2.700 euro

kosten pasje 900 euro

betaling aan [medeverdachte] 200 euro 3.800 euro (-)

Het hier door veroordeelde behaalde voordeel wordt geschat op 3.700 euro.

(...)

Zaak 22 betreft het storten door [medeverdachte] van 14 valse bankbiljetten van 500 euro op 28 december 2004 om 12.30 uur, 12.31 uur en 16.03 uur bij ABN AMRO filialen in Rotterdam.

De begunstigde was hier [betrokkene 6].

Via geldopnames (in Den Haag en Rotterdam) is het gestorte bedrag weer aan de rekening onttrokken, alsmede via een op 28 december 2004 gedane overschrijving (4.340,15 naar [...]). [Medeverdachte] heeft verklaard deze stortingen in opdracht van veroordeelde te hebben gedaan. Evenals bij de zaken 15 en 16 acht het hof aannemelijk dat [medeverdachte] voor zijn bemoeienissen in deze zaak 200 euro van veroordeelde heeft ontvangen.

De opbrengst bedroeg 7.000 euro

Af: Bankpaskosten 1.000 euro

Kosten (biljetten) 14 x 160 = 2.240 euro

Betaling aan [medeverdachte] 200 euro 3.440 euro

Financieel voordeel veroordeelde: 3.560 euro.

(...)

BESLISSING

Het hof:

(...)

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast óp een bedrag van EUR 14.923,00 (veertienduizend negenhonderddrieëntwintig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 14.923,00 (veertienduizend negenhonderddrieëntwintig euro)."

2.3. De aanvulling op het verkorte arrest houdt met betrekking tot de bewijsmiddelen waaraan het Hof de schatting van het uit de zaken 15 en 22 verkregen voordeel heeft ontleend het volgende in:

"2. De bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 15 als bedoeld in de hiervoor vermelde bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak. Deze houden het volgende in.

Op 10 februari 2005 deed [betrokkene 7] aangifte. Hij verklaarde als veiligheidsmedewerker bij de ABN-AMRO N.V. dat op 18 en 19 december 2004 bij een filiaal van de ABN-AMRO bank, gevestigd aan de Kneuterdijk te Den Haag door middel van een multifunctionele geldautomaat in totaal 15 valse euro bankbiljetten van € 500 werden gestort op rekening nummer [001] op naam van [betrokkene 2]. (Z15/A1/9)

Het geld is op verschillende locaties in zijn geheel opgenomen, onder meer op 20-12-2004, 00:12 uur op het Zuidplein te Rotterdam (opname: 1.000 euro). (Z/15/AH/8)

De beeldopname die op dat tijdstip is gemaakt laat [medeverdachte] zien. (Z/15/AH/7)

[medeverdachte] heeft verklaard dat de man die bij hem was (toen hij stortte) [betrokkene 3] was. Hij zei: [betrokkene 3] was er vaak bij als ik samen met [betrokkene] geld moest storten en opnemen. [Betrokkene 3] heeft ook geld gestort. [Betrokkene 3] was er nooit bij als hij geld moest storten of opnemen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. [Betrokkene 3] was er alleen bij als hij geld moest storten van [betrokkene]. Hij weet alleen dat [betrokkene 3] een vriend van [betrokkene] is. Hij weet niet of [betrokkene 3] er bij was toen hij het geld op 20-12-04 weer opnam. Op de vraag: 'Van wie heb jij in deze zaak opdracht gekregen om het valse geld te storten en weer op te nemen' antwoordde [medeverdachte]: '[betrokkene] heeft mij in deze zaak opdracht gegeven. [Betrokkene] heeft ons in deze zaak samen gestuurd. Ik bedoel samen met [betrokkene 3]. Ik heb het valse geld, de bankpas met pincode ontvangen van [betrokkene]'.

Veroordeelde heeft verklaard dat hij geld kocht en verkocht. Hij verkocht valse biljetten aan [medeverdachte] en [betrokkene]. (Z/15/V11/7)

Op 17 december 2004 om 12.34 uur heeft [betrokkene 4] contact met [betrokkene 8]. In dit gesprek wordt vermoedelijk gesproken over een te kopen bankpas. (Z/15/T/2, blz 1)

Later in een gesprek op 17 december 2004 om 15.03 uur met [medeverdachte] zegt [betrokkene 4] dat [betrokkene 8] een kaart (bankpas) heeft. (Z/15/T/2, blz 3)

Verder volgen er gesprekken tussen [medeverdachte] en [betrokkene 4]. Op 17 december 2004 om 15.03 uur wordt gesproken over het feit dat [betrokkene 9] bij [medeverdachte] is geweest en dat [betrokkene 9] er 10.000 wil hebben. [Betrokkene 9] zou er 10 willen storten en er weer uit willen halen. (Z/15/T/2, blz 4)

[Betrokkene 4] zegt later, op 17 december 2004 om 19.15 uur, dat hij er nog 36-half heeft. (Z/15/T/2, blz 6)

Op 17 december 2004 om 19.18 uur zegt hij dat er daar nog een partij is die hij nog moet halen. (Z/15/T/2, blz 8)

Om 23.09 uur zegt [betrokkene 4] tegen [betrokkene 5] dat hij er 20 uit het huis van [betrokkene 4] mag halen. (Z/15/T/2, blz 13)

In een gesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 8] om 23.22 uur zegt [betrokkene 8] tegen [betrokkene 4] dat hij er nog 11 heeft voor 5.500. [Betrokkene 4] zegt tegen [betrokkene 8] dat hij ze niet in de markt moet brengen, dat hij op [betrokkene 4] moet wachten en dat [betrokkene 4] komt en ze zal afnemen. (Z/15/T/2, blz 14)

Op 18 december 2004 te 15.36 uur zegt [medeverdachte] tegen [betrokkene 4] dat [betrokkene 4] hem er gisteren 20 heeft gegeven. [Medeverdachte] zegt dat ze er 10 brengen en dat hij er nog 5 heeft. (Z/15/T/2, blz 20)

Om 17.40 uur zegt [betrokkene] ([betrokkene], begrijpt het hof) tegen [betrokkene 4] dat hij met de vriend van [medeverdachte] spreekt. [Betrokkene 4] zegt dat [betrokkene] ze kan krijgen 10, 20 of 24 of wat dan ook. [Betrokkene] zegt dat hij nu in Rotterdam is. (Z/15/T/2, blz 22)

Te 17.44 uur zegt [betrokkene 4] dat hij met een vriend over 10 minuten bij het cafe is. Hij zegt dat [betrokkene] alles moet nemen wat die vriend meebrengt en dat hij datgene van [medeverdachte] ook moet nemen. [Betrokkene 4] zegt dat ze iets van 10 meenemen voor [betrokkene]. (Z/15/T/2, blz 24)

Later, om 17,48 uur, zegt dat [betrokkene 4] tegen [medeverdachte] dat er iets van 12,5 wordt gebracht. (Z/15/T/2, blz 26)

In een gesprek op 18-12-2004 te 18.14 uur met [betrokkene 5] vraagt [betrokkene 4] of ze alles aan [betrokkene 5] hebben gegeven. [Betrokkene 5] zegt dat hij er een bij zich had die niet deugde. (Z/15/T/2, blz 28)

Om 18.36 uur vraagt [betrokkene 4] aan [medeverdachte] of hij het aan hem heeft gegeven. [Medeverdachte] zegt dat hij samen met [betrokkene 5] is. [Betrokkene 5] komt aan de telefoon en [betrokkene 4] zegt dat [betrokkene 5] naar het café van het centrum moet komen. [Betrokkene 4] heeft de man daar. (Z/15/T/2, blz 32)

Om 18.58 uur zegt [betrokkene 10] tegen [betrokkene 11] dat hij alles heeft gekregen. (Z/15/T/2, blz 36)

Op 19 december 2004 te 00.42 uur zegt [betrokkene 4] tegen [betrokkene 8] dat hij het er vandaag in heeft gedaan. [Betrokkene 8] vraagt of [betrokkene 4] aan hem kan laten zien hoe en waar zodat hij het straks daar kan proberen. [Betrokkene 4] zegt nogmaals dat hij heeft gestort. (Z/15/T/2, blz 40)

De bewijsmiddelen, hiervoor aangeduid met "Z15/../..", betreffen in de wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal, dan wel als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden. Zij zijn alle ondergebracht in de "Goudsnip"-ordner met opschrift "zaak 15".

(...)

4. De bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 22 als bedoeld in de hiervoor vermelde bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak. Deze houden het volgende in.

Op dinsdag 10 februari 2005 deed [betrokkene 7] als veiligheidsmedewerker werkzaam bij de ABN-AMRO N.V. aangifte dat er op 28 december 2004 bij een filiaal van de ABN-AMRO bank, gevestigd aan de Peppelweg te Rotterdam en bij het filiaal van de ABN-AMRO bank aan de Slinge te Rotterdam door middel van een multifunctionele geldautomaat in totaal 14 valse euro bankbiljetten van € 500 werden gestort op rekening nummer [002]. [Betrokkene 7] verklaarde dat rekening nr. [002] op naam staat van [betrokkene 6], te Rotterdam. (Z22/A1/16)

Door middel van video- en foto-opnames heeft men kunnen achterhalen de beelden van de personen die de stortingen verricht hebben. (Z22/AH/2)

Door de Technische Recherche van regiopolitie Haaglanden is een onderzoek op de echtheid van de inbeslaggenomen bankbiljetten verricht. Hierbij bleek dat de 14 bankbiljetten vals zijn. (Z22/AH/5)

Op 28 december 2004 heeft op de postbankrekening [003] op naam van [betrokkene 12] een bijboeking plaatsgevonden van € 4.340,15, afkomstig van de rekening van [betrokkene 6]. (Z22/AH/8)

Op 14 juni 2005 werd binnengetreden ter aanhouding in het perceel [a-straat 1] te Rotterdam. In dit pand bleek de persoon aanwezig te zijn die voldeed aan het signalement (Man, getinte huidskleur, leeftijd ongeveer 30-35 jaar, volle ringbaard, brede neus, dikke lippen.) van de persoon die geldstortingen en opnamen had gedaan op de rekening van [betrokkene 6]. Deze persoon was genaamd: [medeverdachte], geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]. (Z15/AH/11)

Op donderdag 16 juni 2005 te 13.10 uur werd de verdachte [medeverdachte] gehoord. Hij verklaarde zichzelf te herkennen van de foto's tijdens het storten van valse bankbiljetten. Volgens hem heeft hij dit gedaan in opdracht van [betrokkene] ([betrokkene], begrijpt het hof). Het valse geld en de bankpas kreeg hij van [betrokkene]. [Betrokkene] kreeg dit weer van [betrokkene 4]. Ook kocht [betrokkene] geld. Het opgenomen geld heeft hij aan [betrokkene] gegeven. Voor het storten en opnemen kreeg hij van [betrokkene] geld. (Z22/V11/9)

De bewijsmiddelen, hiervoor aangeduid met "Z22/../..", betreffen in de wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal, dan wel als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden. Zij zijn alle ondergebracht in de "Goudsnip"-ordner met opschrift "zaak 22".

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting in eerste aanleg in deze zaak, begrijpt het hof dat, waar in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen sprake is van [betrokkene] of [betrokkene], daarmee de veroordeelde [betrokkene] wordt bedoeld."

2.4. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de stelling van het middel dat een zodanige verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaken 15 en 22 tussen de betrokkene en [medeverdachte] had moeten plaatsvinden dat aan ieder de helft van dat voordeel wordt toegerekend, in hoger beroep is betrokken. In cassatie kan deze stelling niet voor het eerst worden opgeworpen. Daarop stuit het middel af.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 maart 2011.