Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0096

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
09/03407
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0096
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bedreiging met zware mishandeling. Bewijs opzet. 2. Belaging, art. 285b Sr. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BB7104 en LJN BA3135. De enkele omstandigheid dat verdachte, terwijl hij zijn koppeling ingetrapt bleef houden, veel gas heeft gegeven op het moment dat X vlak voor zijn auto langs liep alsmede het feit dat X zich erg bedreigd voelde, vormen onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake was van bedreiging met zware mishandeling. De uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Ad 2. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van X, kan niet worden gezegd dat sprake is van “stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer” in de betekenis die daaraan toekomt in art. 285b Sr. Het Hof heeft dus ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat delictsbestanddeel ofwel nagelaten de bewezenverklaring in dat opzicht toereikend te motiveren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/433
NJB 2011, 824
NJ 2011/228 met annotatie van N. Keijzer
VR 2011/124
NBSTRAF 2011/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2011

Strafkamer

nr. 09/03407

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 april 2009, nummer 22/003595-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van hetgeen onder 2 is bewezenverklaard.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 17 maart 2008 te 's-Gravenhage, een persoon genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op het moment dat [slachtoffer] vlak voor zijn auto langs liep veel gas gegeven in de auto waarin hij, verdachte, zat, waarbij hij de koppeling van die auto ingetrapt bleef houden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 17 maart 2008 liep [slachtoffer] vlak voor mijn auto langs, op de parkeerplaats op Kijkduin te 's-Gravenhage. Op dat moment heb ik veel gas gegeven, terwijl ik mijn koppeling ingetrapt bleef houden. Het is mogelijk dat zij mijn handelen als bedreigend heeft ervaren."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 18 maart 2008 heeft [verdachte] mij op het parkeerterrein bij het strand afgezet. Ik stapte uit en liep van de auto weg, toen ik hoorde dat de motor van zijn auto veel toeren maakte. Ik voelde me erg bedreigd."

2.3. Voor een veroordeling terzake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (HR 4 december 2007, LJN B71004) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (HR 19 juni 2007, LJN BA3135).

2.4. De enkele vaststellingen van het Hof dat de verdachte, terwijl hij zijn koppeling ingetrapt bleef houden, veel gas heeft gegeven op het moment dat [slachtoffer] vlak voor zijn auto langs liep en dat [slachtoffer] zich erg bedreigd voelde, vormen onvoldoende grond om te kunnen aannemen dat sprake was van bedreiging met zware mishandeling. De uitspraak is dan ook in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het Hof dat de onder 4 bewezenverklaarde gedragingen belaging opleveren onjuist is, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 05 april 2008 tot en met 31 mei 2008 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers

- is hij, verdachte, meerdere malen door de straat gereden, waar [slachtoffer] woonachtig is en

- heeft hij, verdachte, [slachtoffer] gebeld."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Vanaf 2006 had ik een relatie met [slachtoffer]. In oktober 2007 verslechterde de relatie. Ik wist dat [slachtoffer] vanaf 20 maart 2008 geen contact meer met mij wilde, maar ik bleef doorgaan met bellen naar haar. Ik heb dingen gedaan die niet in een normale relatie horen. Op 5 april 2008 bevond ik mij in de [a-straat], in de directe omgeving van [slachtoffer]'s woning. Ik ontken niet dat ik daar toen veelvuldig in de buurt ben geweest."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 5 april 2008 zag ik [verdachte] bij mij in de straat lopen. Ik woon op de [a-straat 1] in Den Haag. De afstand van [verdachte] tot aan mijn woning was hooguit honderd meter."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 6 april 2008 fietste [verdachte] in de [a-straat]. Hij keek naar boven in de richting van mijn woning. Ik vind het bedreigend en ik wil dat het stopt."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 10 april 2008 zag ik [verdachte] tweemaal met zijn fiets in de [a-straat] rijden. Op 11 april zag ik [verdachte] weer met zijn fiets in de [a-straat] rijden."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 21 en 25 mei 2008 ben ik door [verdachte] gebeld op mijn gsm-telefoon."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 19 april 2008 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik woon in de [a-straat] te 's-Gravenhage. Ik heb de ex-vriend van [slachtoffer] hier regelmatig gezien; eind vorige week heb ik hem hier twee keer zien fietsen. Op 13 april 2008 heb ik hem ook gezien. Hij was met de auto, parkeerde deze en reed daarna weer weg."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 19 april 2008 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik woon in de [a-straat] te 's-Gravenhage. Begin deze week zat ik in mijn woonkamer en ik zag de ex-vriend van [slachtoffer] op de fiets een rondje draaien op de parkeerplaats hier. Vorige week is hij met de auto langsgereden. Hij reed het parkeerterrein bij de flat op en reed weer weg."

h. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 19 april 2008 afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

"De dag nadat [slachtoffer] terugkwam van vakantie, ongeveer twee weken geleden, zag ik [verdachte] langs de woning van [slachtoffer] fietsen."

3.3. De tenlastelegging onder 4 is toegesneden op art. 285b, eerste lid, Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking "stelselmatig inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

3.4. Art. 285b, eerste lid, Sr luidt:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."

3.5. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer], kan niet worden gezegd dat sprake is van "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" in de betekenis die daaraan toekomt in art. 285b Sr. Het Hof heeft dus ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat delictsbestanddeel ofwel nagelaten de bewezenverklaring in dat opzicht toereikend te motiveren. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 22 maart 2011.