Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BP0060

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/00828
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP0060
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Nu het Hof de getuigenverklaringen als volstrekt ongeloofwaardig heeft aangemerkt, kon het Hof diezelfde getuigenverklaringen niet tot het bewijs bezigen (vgl. HR NJ 1993/54 en HR LJN BD3902).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/270
NJB 2011, 478

Uitspraak

8 februari 2011

Strafkamer

nr. 09/00828

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 2009, nummer 20/002385-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte ongeloofwaardig geachte verklaringen tot het bewijs van feit 3 heeft doen meewerken.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 januari 2005, in de gemeente Venlo en in Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, van voorwerpen de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, en voorwerpen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet en van voorwerpen gebruik heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders:

b. in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 23 september 2004 van een voorwerp de werkelijke aard en de herkomst verhuld, bestaande in:

- het (doen) overbrengen van een (contant) geldbedrag van euro 250.000,- naar Kirsehir te Turkije,

- het op 10 augustus 2004 op naam van [betrokkene 1] openen van een rekening bij IS Bakasi te Kirsehir en het op die dag op die rekening van [betrokkene 1] inleggen van een geldbedrag van euro 250.000,-,

- het op 24 augustus 2004 van die rekening opnemen van een geldbedrag van euro 250.000,- en (tevens) beëindigen van die rekening,

- het op 23 augustus 2004 op naam van [betrokkene 2] openen van een rekening bij IS Bakasi te Kirsehir en het op 24 augustus 2004 op die rekening inleggen van een geldbedrag van euro 250.000,-,

- het (doen) opstellen van een "overeenkomst van een geldlening" van euro 250.000,-, gedateerd 26 augustus 2004, tussen [betrokkene 2] (leninggever) en hem, verdachte, (leningnemer),

- het op 15 september 2004, in elk geval in september 2004 (door [betrokkene 2]) overboeken van een geldbedrag van euro 247.655,- naar de rekening bij de Regiobank te Panningen van hem, verdachte, en

c. in de periode van 10 september 2004 tot en met 24 januari 2005 voorwerpen verworven en voorhanden gehad en omgezet en van voorwerpen gebruik gemaakt, bestaande in:

- het in de periode van 10 tot en met 24 september 2004 verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag van euro 247.655,-,

- het op 24 september 2004 gebruiken van een geldbedrag van euro 154.200,- voor de (gedeeltelijke) betaling tot aankoop van een onroerend goed, te weten het pand [a-straat 1] te Venlo,

- het in de periode van 24 september 2004 tot en met 1 december 2004 in bezit hebben en gebruik maken van een onroerend goed, te weten het pand [a-straat 1] te Venlo,

- het op 1 december 2004 verkopen van voormeld onroerend goed, te weten het pand [a-straat 1] te Venlo, voor een geldbedrag van euro 650.000,-,

- het op 7 december 2004 verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag van euro 662.276,18, en

d. in de periode van 24 september 2004 tot en met 24 januari 2005 een voorwerp, te weten een geldbedrag van euro 93.455,-, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2. Het Hof heeft in een nadere bewijsoverweging onder meer het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en beschouwd, alsmede gelet op de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 250.000,00 van misdrijf afkomstig was, dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat dit bedrag in Turkije kwam en vervolgens, middels een overeenkomst van geldlening, door zijn tante [betrokkene 2] weer op zijn Nederlandse bankrekening werd gestort zodat hij het vervolgens (deels) kon gebruiken voor de aankoop van een pand. Het hof let hierbij in het bijzonder op de volgende feiten en omstandigheden:

- verdachte, bij wie een grote handelsvoorraad hennep werd aangetroffen, heeft blijkens de stukken met de softdrugshandel in Coplendia dagelijks grote omzetten gegenereerd;

- zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 2] geven geen duidelijke verklaring over de herkomst van het bedrag van € 250.000,00;

- [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben, anders dan hun niet onderbouwde en volstrekt ongeloofwaardige en deels tegenstrijdige verklaringen, dit geldbedrag onmogelijk bij elkaar kunnen sparen;

- verdachte was blijkens een bancaire handeling op 9 augustus 2004 in Turkije in de tijd dat het geld werd ingelegd op de bankrekening van [betrokkene 1] (10 augustus 2004) en vervolgens werd overgeboekt op de rekening van [betrokkene 2] en de overeenkomst van geldlening door verdachte werd opgemaakt en meegebracht."

2.2.3. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof onder meer als bewijsmiddelen gebezigd de vertaling van de ten overstaan van de Officier van Justitie in Turkije afgelegde verklaringen, voor zover hier van belang inhoudende:

- als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik heb op de rekening bij de Is Bankasi te Kirsehir de 250.000 Euro waarmee de rekening van mijn broer [betrokkene 1] wordt geopend, ingelegd. Mijn echtgenote [betrokkene 2] heeft geen weet van dit geld. (...) De 250.000 Euro zijn van mij. Ik heb dat geld in 30 jaar bij elkaar gespaard."

- als verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik heb aan mijn neef, - het hof begrijpt: - verdachte, verteld dat ik zelf geld had. Hij zei tegen mij dat hij geld nodig had. (...) Ik heb de 250.000 Euro via de Is Bankasi te Kirsehir naar Nederland gestuurd. (...) Ik heb dat geld mettertijd thuis gespaard. Ik heb dat geld binnen 30 jaar, ik had 2 koeien, 3 vaarzen en die dieren heb ik van tijd tot tijd verkocht en zo heb ik dat geld gespaard."

2.3. Nu het Hof deze verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] als "volstrekt ongeloofwaardig" heeft aangemerkt, heeft het Hof die verklaringen in zoverre ten onrechte tot het bewijs gebezigd, aangezien dit niet strookt met het wettelijk bewijsstelsel waarin ervan wordt uitgegaan dat een getuigenverklaring - waaronder in dit verband mede is begrepen een verklaring van een ander dan de verdachte in enig schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344 Sv - door de rechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd (vgl. HR 14 september 1992, NJ 1993/54 en HR 23 september 2008, LJN BD3902, NJ 2008/525).

2.4. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 8 februari 2011.