Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO9971

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
10/01384
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO9971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging. Begin van uitvoering. In het licht van de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende toedracht dat de verdachte geld, navigatiemateriaal en een GSM met SIM-kaart heeft ontvangen/aangenomen en dat hij met een auto is afgereisd naar Roemenië en/of Hongarije met de bedoeling aldaar een hoeveelheid van 59 kg heroïne in ontvangst te nemen voor vervoer naar Nederland, maar onverrichterzake is teruggekeerd omdat hij de vrachtauto met heroïne niet heeft kunnen vinden, is ’s Hofs oordeel dat er een begin van uitvoering was van het binnen Nederland brengen van heroïne niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat verdachte wel de intentie tot invoer had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/300
NJ 2011/95
NJB 2011, 534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2011

Strafkamer

nr. 10/01384

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 2010, nummer 22/002204-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en in zoverre terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De aanvulling op het verkorte vonnis van de Rechtbank als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 01 mei 2008 tot en met 15 juli 2008 te Rotterdam en Rozenburg en elders in Nederland en Roemenië en Hongarije ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 59 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk

- geld en navigatiemateriaal en een GSM met SIM-kaart heeft ontvangen/aangenomen van [betrokkene 1] en

- met een auto is afgereisd naar Roemenië en/of Hongarije voor het in ontvangst nemen van 59 kilo heroïne voor verder vervoer naar Nederland

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.3. Het Hof heeft, het vonnis van de Rechtbank in zoverre bevestigend, ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Nadere bewijsmotivering

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

(...)

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte heeft gepoogd om heroïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen, nu er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering. De verdachte heeft nimmer de persoon ontmoet die het pakket heroïne zou afgeven en er heeft geen overdracht aan de verdachte plaatsgevonden, hetgeen volgens de raadsman voor het aannemen van een begin van uitvoering noodzakelijk is.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Blijkens artikel 1, vierde lid van de Opiumwet is het binnen het grondgebied van Nederland brengen een ruim begrip. Uit de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken tussen de verdachte en zijn medeverdachten kan worden afgeleid dat de verdachte de intentie had om de heroïne naar Nederland te brengen. Door de ten laste gelegde en bewezenverklaarde handelingen heeft de verdachte een begin gemaakt met het verwezenlijken van de invoer van de heroïne in Nederland. Het verweer wordt dan ook verworpen."

2.4. In het licht van de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende toedracht, te weten dat de verdachte geld, navigatiemateriaal en een GSM met SIM-kaart heeft ontvangen/aangenomen van [betrokkene 1] en dat hij met een auto is afgereisd naar Roemenië en/of Hongarije met de bedoeling aldaar een hoeveelheid van 59 kg heroïne in ontvangst te nemen voor vervoer naar Nederland, maar dat hij onverrichterzake is teruggekeerd omdat hij de vrachtauto waarin de heroïne zich zou bevinden niet heeft kunnen vinden, is het oordeel van het Hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van heroïne niet zonder meer begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de verdachte, zoals het Hof heeft overwogen, wel de intentie tot zodanige invoer van heroïne had.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 15 februari 2011.