Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO9872

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
09/03329 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO9872
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 495 Sv. Bevoegdheid Kinderrechter. Met het voorschrift van art. 6.2 Sv heeft de wetgever beoogd in geval van gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld (vgl. HR LJN ZD1575). De met art. 6.2 Sv beoogde behandeling door dezelfde rechter kan hier niet worden bereikt waar de zaak van de verdachte door een kinderrechter moet worden behandeld en de zaken van de medeverdachten door de rechtbank worden behandeld. Art. 6.2 Sv staat niet eraan in de weg dat in een geval als de onderhavige - waarin sprake is van gelijktijdige vervolging - de zaak tegen een jeugdige verdachte wordt aangebracht voor de kinderrechter die op grond van de woonplaats van de verdachte bevoegd is. In een dergelijke situatie dient het geen redelijk, met de beoogde doelmatige rechtspleging strokend, doel als uitsluitend de kinderrechter in de rechtbank waar de medeverdachten worden vervolgd bevoegd zou zijn van het aan de verdachte tenlastegelegde feit kennis te nemen en niet de kinderrechter van verdachtes woonplaats.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 6
Wetboek van Strafvordering 495
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/609
NJ 2011/203
NJB 2011, 1041
NBSTRAF 2011/175
VA 2012/12 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 april 2011

Strafkamer

nr. 09/03329 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 2009, nummer 23/003245-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.F. Stelling, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de onbevoegdheid van de Kinderrechter in de Rechtbank te Haarlem en van het Hof tot kennisneming van het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

2.2. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd - zakelijk weergegeven - dat hij op of omstreeks 27 december 2007 te Alphen aan den Rijn aan een openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het detentiecentrum, subsidiair dat hij toen en aldaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk het detentiecentrum heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Onbevoegdheid van het hof

De raadsman heeft betoogd dat nu de strafvervolging van de verdachte later is aangevangen dan die van zijn mededaders, ingevolge het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het gerecht waarbij vervolging tegen één van hen het eerst was aangevangen exclusieve competentie heeft. De kinderrechter te Haarlem was derhalve onbevoegd de zaak tegen de verdachte te berechten en in het verlengde daarvan is ook het gerechtshof te Amsterdam onbevoegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad en de literatuur leidt het hof het volgende af. Een redelijke uitleg van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering brengt met zich dat in geval van gelijktijdige vervolging wordt bewerkstelligd dat de zaken tegen de mededaders door dezelfde rechter worden behandeld. De achterliggende ratio is daarbij het bevorderen van de proceseconomie en de gelijkheid in straftoemeting. Voor de vraag of sprake is van een gelijktijdige vervolging bij onderscheidene rechtbanken is bepalend het tijdstip van de aanvang van het rechtsgeding, dat wil zeggen het moment waarop de officier van justitie de dagvaarding doet uitgaan.

In het onderhavige geval heeft de officier van justitie in de zaken van de meerderjarige mededaders in ieder geval vóór 26 februari 2008 (de zittingsdatum) dagvaardingen doen uitgaan. De dagvaarding aan de minderjarige verdachte is gedateerd 10 maart 2008, derhalve na aanvang van de berechting van de mededaders. Gelet daarop is geen sprake van een gelijktijdige vervolging en doet zich voorts de situatie voor dat de zaak tegen de minderjarige verdachte voor de kinderrechter dient te worden aangebracht. Het verweer van de raadsman treft derhalve geen doel. Nu ook overigens niet is gebleken van redenen van onbevoegdheid van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem, wordt het verweer betreffende de onbevoegdheid van de daaropvolgende instantie, te weten het gerechtshof te Amsterdam, eveneens verworpen."

2.4. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

- Art. 6 Sv:

"1. Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere.

2. In geval van gelijktijdige vervolging bij onderscheidene bevoegde rechtbanken blijft uitsluitend bevoegd de rechter voor wien de als daders aansprakelijke personen worden vervolgd. Worden zoodanige personen niet voor hetzelfde gerecht vervolgd, dan blijft uitsluitend bevoegd de rechter bij wien de vervolging tegen één hunner het eerst is aangevangen.

3. Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel geacht in deelneming te zijn begaan."

- Art. 495 Sv:

"1. De zaak wordt bij de rechtbank in eerste aanleg voor de kinderrechter vervolgd.

2. Niettemin geschiedt de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer, indien naar het aanvankelijke oordeel van de officier van justitie

(...)

c. de zaak, indien deze tevens één of meer verdachten betreft die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, niet voor splitsing vatbaar is.

3. In zaken welke voor een meervoudige kamer der rechtbank worden vervolgd neemt de kinderrechter aan het onderzoek ter terechtzitting deel."

2.5. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Vier meerderjarige medeverdachten zijn als daders ter zake van dezelfde tenlastegelegde feiten gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie heeft kennelijk geoordeeld dat zich niet het uitzonderingsgeval van art. 495, tweede lid onder c, Sv voordoet dat de zaak niet voor splitsing vatbaar is en heeft de zaak tegen de verdachte overeenkomstig de hoofdregel van art. 495, eerste lid, Sv voor de kinderrechter vervolgd. De verdachte is gedagvaard voor de kinderrechter van zijn woonplaats, te weten de Kinderrechter in de Rechtbank te Haarlem.

2.6. Het middel stelt de vraag aan de orde of de Kinderrechter in de Rechtbank te Haarlem in eerste aanleg - en daarmee het Hof in hoger beroep - zich onbevoegd had moeten verklaren op grond van art. 6, tweede lid, Sv. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Art. 6, tweede lid, Sv staat niet eraan in de weg dat in een geval als het onderhavige, waarin anders dan het Hof heeft geoordeeld sprake is van gelijktijdige vervolging, de zaak tegen een jeugdige verdachte wordt aangebracht voor de kinderrechter die op grond van de woonplaats van de verdachte bevoegd is. Dat berust op het volgende.

Met het voorschrift van het tweede lid van art. 6 Sv heeft de wetgever beoogd in geval van gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld (vgl. HR 27 mei 1999, LJN ZD1575, NJ 1999/635, rov. 3.3.8).

De met art. 6, tweede lid, Sv beoogde behandeling door dezelfde rechter kan hier niet worden bereikt, waar de zaak van de verdachte door een kinderrechter, op de wijze als bepaald in Titel II van het Vierde boek van het Wetboek van Strafvordering, moet worden behandeld en de zaken van de medeverdachten door de rechtbank, op de gewone wijze, worden behandeld. In een dergelijke situatie dient het geen redelijk, met de beoogde doelmatige rechtspleging strokend, doel dat uitsluitend de kinderrechter in de rechtbank waar de medeverdachten worden vervolgd bevoegd zou zijn van het aan de verdachte tenlastegelegde feit kennis te nemen en de kinderrechter van verdachtes woonplaats niet. Daartoe strekt art. 6, tweede lid, Sv dan ook niet.

2.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 april 2011.