Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO9834

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
09/01724
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO9834
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 410.1 Sv, art. 126 RO, art. 2 Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket. Ontbreken handtekening van de OvJ op appelschriftuur. De wet stelt niet de eis dat een appelschriftuur door de indiener daarvan is ondertekend. In het licht van de toepasselijke regelgeving en wetsgeschiedenis moet wel worden aangenomen dat indien vanwege het Openbaar Ministerie hoger beroep is ingesteld, de appelschriftuur door de OvJ dient te worden ingediend. Het Hof heeft vastgesteld dat aan die eis is voldaan. Mede gelet daarop is diens oordeel dat de niet-ondertekening van de appelschriftuur niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn hoger beroep, juist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 410
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 126
Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket
Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2011, 203
NBSTRAF 2011/203
NJB 2011, 1295
RvdW 2011/754
NJ 2011/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juni 2011

Strafkamer

nr. 09/01724

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 april 2009, nummer 21/004043-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het ontbreken van de handtekening van de Officier van Justitie op de appelschriftuur niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het ingestelde hoger beroep.

2.2. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het door de Officier van Justitie ingestelde hoger beroep het volgende in:

"De raadsman heeft zich aangesloten bij het pleidooi van mr. Oude Breuil, raadsman van medeverdachte [medeverdachte]. Die heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, op de griffie van de rechtbank Almelo heeft ingediend. De raadsman van verdachte heeft de schriftuur op 7 januari 2009 tezamen met de andere stukken ontvangen. Bovendien merkt de raadsman op dat op de schriftuur geen handtekening van de officier van justitie is geplaatst. De raadsman stelt dat het openbaar ministerie op grond van art. 416 Sv niet-ontvankelijk in het hoger beroep dient te worden verklaard. De verdediging is door het niet tijdig toezenden van de schriftuur in zijn belangen geschaad.

De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van het pleidooi van mr. Oude Breuil contact gehad met de officier van justitie die de schriftuur heeft ingediend. Deze heeft tegenover haar verklaard dat de schriftuur op de datum van dagtekening, 24 oktober 2008, is ingediend op de griffie van de rechtbank Almelo. Op de schriftuur is evenwel geen stempel van binnenkomst geplaatst. Navraag bij de griffie in Almelo leverde niets op, terwijl de griffie evenmin (digitaal) aantekening maakt van de binnenkomst van een appèlschriftuur.

Vaststaat dat de schriftuur zich bij de stukken bevond op het moment van binnenkomst van het dossier bij het ressortsparket op 29 december 2008. Indien een schriftuur rechtstreeks bij het ressortsparket was binnengekomen dan was daarop een stempel geplaatst en was daarvan digitaal aantekening gemaakt. De advocaat-generaal is van oordeel dat er geen reden is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Naar het oordeel van het hof kan van het volgende worden uitgegaan. Op 7 oktober 2008 heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Op 24 oktober 2008 is door de officier van justitie een appèlschriftuur opgesteld. Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat de schriftuur in ieder geval niet binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep is ingediend. De raadsman heeft deze omstandigheid niet in zijn betoog betrokken. De officier van justitie heeft tegenover de advocaat-generaal verklaard dat zij de schriftuur heeft ingediend op de griffie van de rechtbank. Het hof acht dit aannemelijk en zal hiervan uitgaan, temeer nu naar het oordeel van het hof vaststaat dat de schriftuur zich bij de stukken bevond op het moment van binnenkomst van het dossier op 29 december 2008. Nu de verdediging volgens eigen zeggen op 7 januari 2009 op de hoogte was van de inhoud van de schriftuur, kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat de verdediging door het niet eerder toezenden van de schriftuur zodanig in zijn belangen is geschaad dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Alhoewel het de voorkeur verdient dat de schriftuur door de officier van justitie is voorzien van een handtekening kan het ontbreken ervan niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, alleen al nu de wet daartoe niet verplicht."

2.3. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een appelschriftuur met als kop 'Arrondissementsparket te Almelo' en als afsluiting 'Almelo, 24 oktober 2008' en daaronder (getypt) 'De officier van justitie, C. Hofstee'.

2.4. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang:

Art. 410, eerste lid, Sv luidt:

"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen (...)."

Art. 126 RO luidt:

"1. De uitoefening van een of meer bevoegdheden van (...) de officier van justitie (...) kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

2. De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, uitgeoefend.

(...)

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld."

Art. 2 van het Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket (Besluit van 11 mei 1999, Stb. 1999, 197) luidt:

"1. De officier van justitie draagt de uitoefening van een bevoegdheid niet op aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar indien de bevoegdheid betrekking heeft op:

(...)

i. de instelling van hoger beroep op grond van de artikelen 404, 425, 446, eerste lid, en 509v, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

j. de instelling van cassatie op grond van de artikelen 427, eerste lid, en 446, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

(...)."

De toelichting bij dit besluit houdt het volgende in:

"De bijzondere relatie tussen OM en zittende magistratuur heeft voorts een rol gespeeld bij de uitsluiting van mandaat ter zake van de instelling van rechtsmiddelen op grond van het Wetboek van Strafvordering en daaraan aanverwante wetten.

Het opnieuw aanhangig maken van een zaak bij een hogere rechter vergt een onafhankelijke en deskundige beoordeling van het in eerste aanleg gewezen vonnis. Een goed afgewogen beslissing in dezen is niet alleen van belang met het oog op de kans van slagen van het hoger beroep of het beroep in cassatie, maar is voorts van invloed op het vertrouwen dat de rechter in het OM zal kunnen stellen. Dit vertrouwen kan worden geschaad indien meer dan incidenteel namens het OM op ongerechtvaardigde gronden hoger beroep of cassatie wordt aangetekend. Daarnaast dient ook uit doelmatigheidsoverwegingen te worden voorkomen dat het OM te lichtvaardig rechtsmiddelen instelt. In dit licht bezien acht ik mandatering van daarop betrekking hebbende beslissingen niet verantwoord. Tot de laatste categorie behoren ook beslissingen tot intrekking van genoemde rechtsmiddelen. Deze beslissingen vertonen een zodanige inhoudelijke samenhang met beslissingen tot instelling van hoger beroep en cassatie, dat ook deze moeten worden uitgezonderd." (Nota van Toelichting, p. 17)

2.5. De wet stelt niet de eis dat een appelschriftuur door de indiener daarvan is ondertekend. In het licht van hetgeen hiervoor is weergegeven moet wel worden aangenomen dat indien door het Openbaar Ministerie hoger beroep is ingesteld, de appelschriftuur door de Officier van Justitie dient te worden ingediend. Het Hof heeft vastgesteld dat aan die eis is voldaan. Mede gelet daarop is 's Hofs oordeel dat de niet-ondertekening van de appelschriftuur niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn hoger beroep, juist.

2.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 7 juni 2011.