Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO9770

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
09/03510
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO9770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling; geschil betreffende lijst der geldelijke regelingen; art. 131 e.v., 174 e.v., 212 e.v. Landinrichtingswet (oud); overgangsbepaling art. 95 lid 2 Wet inrichting landelijk gebied. Indien rechtbank niet beschikt over afschrift volledige lijst der geldelijke regelingen, behoeft zij zich daardoor niet te laten weerhouden van het geven van een beslissing. Onjuist is aanname dat rechtbank lijst der geldelijke regelingen slechts rechtsgeldig ex art. 217 Landinrichtingswet kan sluiten indien zij beschikt over volledig exemplaar van die lijst. Beroep op nietigheid lijst der geldelijke regelingen in verband met incompleetheid, genoegzaam door rechtbank verworpen (vgl. HR 20 november 2009, LJN BJ7315, NJ 2009/582). Gelet op voorschrift art. 212 lid 1, aanhef en onder a, Landinrichtingswet dat lijst der geldelijke regelingen een zo nauwkeurig mogelijke opgave bevat van kosten eigenaren, is wetgever kennelijk niet ervan uitgegaan dat ten laste van gezamenlijke eigenaren slechts die landinrichtingskosten mogen worden omgeslagen die ten tijde van opstellen lijst reeds zijn gemaakt. Bezwaar tegen verlenging bezwaartermijn door rechtbank terecht niet gehonoreerd; belanghebbenden kunnen ex art. 214 Landinrichtingswet slechts bezwaar indienen tegen de lijst der geldelijke regelingen zoals die ter inzage is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/98
NJB 2011, 464
RvdW 2011/311
JWB 2011/103

Uitspraak

18 februari 2011

Eerste Kamer

09/03510

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats]

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING SAUWERD,

zetelende en kantoorhoudende te Groningen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Landinrichtingscommissie.

1. Het geding in feitelijke instantie

[Eiser] heeft in de ruilverkaveling "Sauwerd" bij brieven van 17 juli en 24 oktober 2008 als reclamant bezwaar gemaakt tegen de lijst der geldelijke regelingen. Deze bezwaren zijn op 4 december 2008 behandeld door de Landinrichtingscommissie. Die behandeling heeft niet tot overeenstemming tussen partijen kunnen leiden. Ook de rechter-commissaris, die deze bezwaren heeft behandeld op 19 februari 2009, heeft ten aanzien daarvan geen overeenstemming tussen partijen kunnen bewerkstelligen, waarna hij partijen heeft verwezen naar de zitting van de rechtbank Groningen. De rechtbank heeft de bezwaren behandeld ter terechtzitting van 1 april 2009 en bij vonnis van 1 juli 2009 de bezwaren van [eiser] tegen de lijst der geldelijke regelingen gegrond verklaard voor wat betreft de bij de [a-straat] behorende beplanting en de betonplaat, bepaald dat de waarden van de betonplaat en de beplanting worden gesteld op respectievelijk € 500,-- en € 2.352,--, de lijst der geldelijke regelingen voor het overige gehandhaafd en de bezwaren van [eiser] voor het overige ongegrond verklaard.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Landinrichtingscommissie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Landinrichtingscommissie mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Hoge Raad stelt voorop dat de Landinrichtingswet met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken en vervangen door de Wet inrichting landelijk gebied. Op grond van de overgangsbepaling van art. 95 lid 2 van deze wet is de Landinrichtingswet in de onderhavige zaak, die een landinrichtingsproject betreft waarin reeds voor 1 januari 2007 toepassing is gegeven aan art. 198 van de Landinrichtingswet, evenwel van toepassing gebleven.

3.2 Het eerste middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft met betrekking tot de bezwaren van [eiser], hoewel zij niet beschikte over een exemplaar van de volledige lijst der geldelijke regelingen.

Dit betoog faalt. Ingevolge art. 174 in verbinding met art. 216 Landinrichtingswet behoort de landinrichtingscommissie onder meer een afschrift van de lijst der geldelijke regelingen zoals die ter inzage is gelegd aan de rechter-commissaris te sturen. Wanneer vervolgens de rechtbank op de voet van art. 178 lid 2 in verbinding met art. 216 en art. 217 Landinrichtingswet heeft te beslissen omtrent geschillen betreffende de lijst der geldelijke regelingen, heeft zij de beschikking over het naar de rechter-commissaris gestuurde afschrift van die lijst. Maar zelfs indien zij niet beschikt over een afschrift van de volledige lijst der geldelijke regelingen, behoeft zij zich daardoor niet te laten weerhouden van het geven van een beslissing. Indien zij tot het inzicht komt dat zij niet behoorlijk kan beslissen zonder te beschikken over een afschrift van de volledige lijst kan de rechtbank, uiteraard, van de landinrichtingscommissie verlangen dat die alsnog de volledige lijst toestuurt. De door het middel aangewezen verdrags- en wetsbepalingen en ongeschreven beginselen brengen niet mee dat de rechtbank zich in ieder geval van een beslissing dient te onthouden zolang zij niet beschikt over een afschrift van de volledige lijst. Onjuist is verder de aanname van het middel dat de rechtbank de lijst der geldelijke regelingen slechts rechtsgeldig op de voet van art. 217 Landinrichtingswet kan sluiten indien zij de beschikking heeft over een volledig exemplaar van die lijst. De klachten van het middel zijn dus ongegrond.

3.3 Het tweede middel betreft bezwaar a van [eiser], inhoudende dat de door de Landinrichtingscommissie ter visie gelegde lijst der geldelijke regelingen incompleet was en derhalve nietig is. De rechtbank heeft dit bezwaar op genoegzame gronden verworpen (vlg. HR 20 november 2009, LJN BJ7315, NJ 2009/582), zodat het middel faalt.

3.4 Het derde middel is gericht tegen de beslissing van de rechtbank op bezwaar b, dat zich toespitste op de post lopend en nog uit te voeren werk ten bedrage van € 3.534.933,-- als onderdeel van de kosten die voor een deel ten laste van de gezamenlijke eigenaren komen.

Die post zou niet mogen worden opgenomen omdat die zich aan accountantscontrole en rechterlijke toetsing onttrekt nu het gaat om kosten waarvan het werkelijke beloop eerst na sluiting van de lijst der geldelijke regelingen valt vast te stellen. De rechtbank heeft dit bezwaar terecht verworpen, nu de wet (art. 212 lid 1, aanhef en onder a, Landinrichtingswet) voorschrijft dat de lijst der geldelijke regelingen een zo nauwkeurig mogelijke opgave bevat van de op grond van art. 223 lid 1 voortvloeiende kosten voor de betrokken eigenaren. De wetgever is dus kennelijk niet ervan uitgegaan dat op de voet van art. 212 lid 1, aanhef en onder a, ten laste van de gezamenlijke eigenaren slechts die landinrichtingskosten mogen worden omgeslagen die ten tijde van het opstellen van die lijst reeds zijn gemaakt. Het middel faalt derhalve.

3.5 Het vierde middel betreft de beslissing van de rechtbank op bezwaar h, waarin [eiser] klaagde dat de Landinrichtingscommissie de bezwaartermijn van art. 214 Landinrichtingswet heeft verlengd, hetgeen tot extra bezwaren zal hebben geleid die derhalve nietig zijn en waarvoor [eiser] niet wenst te worden belast. Hoewel het zich terecht keert tegen het oordeel van de rechtbank dat de verruiming door de Landinrichtingscommissie van de in art. 214 Landinrichtingswet bedoelde bezwaartermijn in verband met de zomervakantie in overeenstemming met de geest en de bedoeling van de wet is, kan het middel niet tot cassatie leiden, omdat de rechtbank het bezwaar terecht niet heeft gehonoreerd. Belanghebbenden kunnen ingevolge art. 214 Landinrichtingswet slechts bezwaar indienen tegen de lijst der geldelijke regelingen zoals die ter inzage is gelegd; bezwaren als het onderhavige kunnen derhalve niet aan de orde komen.

3.6.1 Het vijfde middel heeft betrekking op bezwaar d. Dat bezwaar betreft de waarde van de [a-straat], die is ingebracht door [eiser] en in het kader van het begrenzingenplan (art. 131 e.v. Landinrichtingswet) is toegewezen aan de gemeente Bedum. [Eiser] staat op het standpunt dat aan de [a-straat], naast de door de Landinrichtingscommissie in aanmerking genomen agrarische waarde, nog een niet-agrarische meerwaarde toekomt, zodat die weg niet op € 8.720,-- maar op € 100.000,-- zou behoren te worden gewaardeerd. De Landinrichtingscommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schatting die zij op de voet van art. 210 Landinrichtingswet heeft laten verrichten geen niet-agrarische meerwaarde voor de [a-straat] opleverde. Het middel gaat ervan uit dat de door de Landinrichtingscommissie benoemde schatters nagelaten hebben de niet-agrarische waarde van de [a-straat] te schatten, maar mist in zoverre feitelijke grondslag, waar de rechtbank immers kennelijk het standpunt van de Landinrichtingscommissie heeft gevolgd dat zodanige schatting wèl heeft plaatsgevonden (maar op nihil uitkwam). De klachten die dit onjuiste uitgangspunt hanteren kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3.6.2 De klacht van het middel dat de rechtbank miskent dat [eiser] er recht op had een contra-expertise in te brengen met betrekking tot de aan de [a-straat] toe te kennen waarde, mist eveneens feitelijke grondslag nu van een zodanige miskenning uit het vonnis niet blijkt.

De klachten tegen het passeren door de rechtbank van het bewijsaanbod van [eiser] en de afwijzing van zijn verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak falen, nu de rechtbank, onder de door haar genoemde omstandigheden, noch tot toelating tot bewijslevering noch tot aanhouding van de behandeling van de zaak gehouden was. Het oordeel van de rechtbank dat het Grontmij-rapport niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of aan de [a-straat] al dan geen niet-agrarische meerwaarde moet worden toegekend, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering, zodat ook de laatste klacht van het vijfde middel moet worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Landinrichtingscommissie begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 februari 2011.