Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO8467

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10/01597
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO8467
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7315, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.111, lid 1, Wet IB 2001. Is zeewaardig jacht een duurzaam aan een plaats gebonden woonschip?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/17.9 met annotatie van Redactie
FED 2011/49 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
BNB 2011/214 met annotatie van R.F.C. SPEK
FutD 2011-0709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/01597

25 maart 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te

's-Gravenhage van 5 maart 2010, nr. BL-09/00305, betreffende een ten name van A (hierna: erflater) gestelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Ten name van erflater is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/9659 IB/PVV) heeft het door de erven (hierna: belanghebbenden) tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 november 2010 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Erflater was in 2003 eigenaar van een woning te Q. Voorts was hij eigenaar van een zeewaardig motorjacht (hierna: het schip). Het schip meet 55 meter en heeft vier verdiepingen. Het schip heeft onder meer een disco, drie bars, diverse zonnedekken met een jacuzzi, een keuken en een groot aantal slaapkamers.

3.1.2. Het schip had van 12 augustus 2003 tot juli 2006 een ligplaats tussen vissersboten en grote bedrijfsboten bij een rederij te R en lag met trossen vast. Volgens de Verordening R Haven 1999 is het verboden een schip langer dan 30 dagen in de haven te doen verblijven zonder dat het voor de vaart ter zee wordt gebruikt. Indien een schip over een vaste ligplaats beschikt, verlenen burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage ontheffing van dat verbod. Erflater beschikte niet over een ontheffing. De gemeente gedoogde de situatie.

3.1.3. Van begin augustus 2003 tot aan zijn overlijden op 9 december 2004 heeft erflater samen met zijn echtgenote op het schip gewoond. Vanaf 9 december 2004 tot aan haar verhuizing naar een appartement in Z in juli 2006 heeft de weduwe van erflater alleen op het schip gewoond.

De woning te Q is in augustus 2003 gemeubileerd achtergelaten. Erflater wilde met zijn echtgenote op het schip blijven wonen tot het zou zijn verkocht.

3.1.4. Door de rederij is elektriciteit aan het schip geleverd via een af te koppelen kabel. Het schip bezit generatoren voor de opwekking van stroom. Een water- en/of rioolaansluiting met de wal ontbrak. Voor de watervoorziening en vuilwaterafvoer was het schip aangewezen op voorzieningen in de haven voor tijdelijk verblijvende schepen. Aan het schip is door het gemeentelijk havenbedrijf één keer een grote hoeveelheid water geleverd.

3.1.5. Op 14 augustus 2003 is een opdracht tot verkoop van het schip gegeven. In de periode 12 augustus 2003 tot en met 31 december 2003 heeft erflater een aantal keren met het schip gevaren. Op 11 november 2003 is een proefvaart gemaakt in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheid het schip te gebruiken voor evenementen, en op 15 november 2003 is het schip gebruikt voor de intocht van Sinterklaas. Van 25 maart 2004 tot 16 juli 2004 is met het schip een vakantiereis gemaakt naar de Canarische Eilanden. In 2005 is een proefvaart gemaakt met een potentiële koper en van 30 mei 2006 tot 11 juni 2006 is het schip voor inspectie in een dok geweest.

3.1.6. Bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 is het schip aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001.

3.2. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat het schip vanaf 12 augustus 2003 anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan. Voor het Hof was in geschil of het schip duurzaam aan een plaats gebonden was in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartegen richt zich het middel.

3.3.1. Noch op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001 (weergegeven in onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal), noch anderszins is er aanleiding om voor de beantwoording van de vraag of een schip duurzaam aan een plaats is gebonden in de zin van dit wetsartikel, een andere maatstaf aan te leggen dan voor de beantwoording van de vraag of een schip duurzaam aan een plaats is gebonden in de zin van artikel 221 van de Gemeentewet. Dit brengt mee dat het begrip "duurzaam aan een plaats gebonden" voor schepen moet worden opgevat als het hebben van een vaste ligplaats. De aanwezigheid van een zodanige vaste ligplaats kan blijken uit bijvoorbeeld een aansluiting op nutsvoorzieningen, maar in ieder geval is sprake van een vaste ligplaats als het gaat om een ligplaats waar het woonschip reeds ten minste een jaar met niet meer dan incidentele onderbrekingen aanwezig is (zie HR 20 september 2000, nr. 34153, LJN AA7150, BNB 2000/380 en HR 11 oktober 2000, nr. 33540, LJN AA7410, BNB 2000/381). Hieruit volgt dat de duur van het verblijf ter plekke een rol - zelfs een beslissende rol - kan spelen voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een vaste ligplaats. Voorts is de omstandigheid dat een ligplaats slechts krachtens vergunning voor een beperkte tijd of zelfs slechts krachtens gedogen wordt ingenomen niet van belang, nu het aankomt op de feitelijke situatie (zie de evengenoemde arresten).

3.3.2. Uitgaande van het bovenstaande getuigt 's Hofs hiervoor in 3.2 derde volzin vermelde oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is dat oordeel verweven met waarderingen van feitelijke aard, en kan het in zoverre in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat 's Hofs uitspraak ervan blijk geeft dat het Hof alle in het middel genoemde omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken.

3.3.3. Het middel faalt mitsdien.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1092,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.