Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO7971

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
09/01521
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO7971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BM0256. De Rechtbank heeft in haar vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359.3 Sv. Uit de bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Het Hof had het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423.1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen als bedoeld in de eerste volzin van art. 359.3 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/237
NJB 2011, 425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 februari 2011

Strafkamer

Nr. 09/01521

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2009, nummer 20/000816-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het Hof daarbij het vonnis van de Rechtbank ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde alsmede de strafoplegging heeft bevestigd, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof te 's-Hertogenbosch teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof het vonnis van de Rechtbank niet zonder meer had mogen bevestigen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft de Rechtbank bewezenverklaard dat:

"2. verdachte, omstreeks 26 januari 2007 in de gemeente Maastricht, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 24, valse verklaringen van ondersteuning (als bedoeld in artikel H4, eerste lid, van de Kieswet), -zijnde geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen- als waren die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, voornoemde verklaringen van ondersteuning heeft ingeleverd bij het Hoofdstembureau te Maastricht en bestaande die valsheid hierin dat hij, verdachte, voornoemde verklaringen van ondersteuning valselijk heeft voorzien van de personalia van een persoon die die verklaringen niet getekend heeft en valselijk heeft voorzien van een gefingeerde handtekening en valselijk heeft gedagtekend en heeft voorzien van valse gemeentestempels;

3. verdachte, op 26 januari 2007 in de gemeente Venlo, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 35 valse verklaringen van ondersteuning (als bedoeld in artikel H4, eerste lid, van de Kieswet), -zijnde geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen- als waren die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, voornoemde verklaringen van ondersteuning heeft ingeleverd bij het Hoofdstembureau te Venlo en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, voornoemde verklaringen van ondersteuning valselijk heeft voorzien van de personalia van een persoon die die verklaringen niet getekend heeft en valselijk heeft voorzien van een gefingeerde handtekening en valselijk heeft gedagtekend en heeft voorzien van valse gemeentestempels."

2.2.2. Het vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder "Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank" het volgende in:

"Met betrekking tot feit 2

Op grond van de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie, het proces-verbaal relaterende een documentonderzoek aan diverse documenten, inzake de gepleegde fraude, de aangifte van burgemeester G.B.M. Leers, alsmede de navolgende bescheiden:

- 10 gefalsificeerde ondersteuningsverklaringen kieskring Maastricht, gemeente Beek,

- 14 gefalsificeerde ondersteuningsverklaringen kieskring Maastricht, gemeente Stein,

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 2 heeft gepleegd.

Met betrekking tot feit 3

Op grond van de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie, het proces-verbaal relaterende een documentonderzoek aan diverse documenten, inzake de gepleegde fraude, de aangifte van burgemeester H.M.F. Bruls, alsmede de navolgende bescheiden:

- 35 gefalsificeerde ondersteuningsverklaringen kieskring Venlo, gemeente Weert,

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 3 heeft gepleegd."

2.2.3. Het arrest van het Hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Bewijsverweer

In hoger beroep is van de zijde van verdachte gesteld, dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

(...)

Beslissing

Het hof:

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep."

2.3. Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

2.4. In zijn arrest van 13 juli 2010, LJN BM0256 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

"2.8.2. Een vonnis dient te worden vernietigd indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv genomen beslissingen. Dat zijn de beslissingen inzake de geldigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de eerste rechter tot kennisneming van de zaak, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel de aanwezigheid van redenen voor schorsing van de vervolging, en voorts de beslissingen over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte alsmede de oplegging van straf en/of maatregel. Een vonnis waarmee de appelrechter zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, leent zich voor bevestiging, zij het met aanvulling of verbetering van die gronden. Daarmee wordt gedoeld op de motivering van de beslissingen, zoals nader geregeld in art. 359, art. 359a, derde lid, en art. 360 Sv.

2.8.3. Een klassiek uitgangspunt is voorts dat bevestiging van een vonnis slechts mogelijk is indien het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gevoerd met inachtneming van alle daarvoor geldende procedureregels. Naar huidige opvatting is dat uitgangspunt echter vatbaar voor relativering aangezien niet elk verzuim dwingt tot vernietiging van het vonnis. In verband met de huiver voor bevestiging van een vonnis vanwege vormverzuimen die zijn begaan gedurende de behandeling van de zaak in de eerste aanleg, verdient opmerking (a) dat de memorie van toelichting met juistheid vermeldt dat zulke verzuimen bij een voortbouwend appel doorgaans door de behandeling in appel zijn hersteld en daarom nadien niet meer relevant zijn, en (b) dat ingeval cassatieberoep is ingesteld, vernietiging van het arrest en het daarbij bevestigde vonnis veelal niet aan de orde is op de grond dat over het vormverzuim hetzij bij de behandeling van de zaak in hoger beroep hetzij in cassatie niet is geklaagd dan wel dat de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad."

2.5. De Rechtbank heeft in haar vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsman van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Gelet op het voorgaande had het Hof het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423, eerste lid, Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

2.6. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 1 februari 2011.