Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO7918

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/01342
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO7918
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uos. T.a.v. een verweer a.b.i. art. 358.3 Sv geldt het motiveringsvoorschrift van art. 359.2 eerste volzin Sv .

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 358
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2011, 91
NBSTRAF 2011/91
RvdW 2011/271
NJB 2011, 482

Uitspraak

8 februari 2011

Strafkamer

nr. 09/01342

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 februari 2009, nummer 20/001863-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk namens de verdachte onderbouwd standpunt betreffende de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 27 augustus 2007, in de gemeente Halderberge, een ander, genaamd [betrokkene 1], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, immers heeft hij, verdachte, voor die ander een treinkaartje gekocht (geldig voor de treinreis via het traject Berchem [Belgiƫ] - Roosendaal) en die ander begeleid tijdens die reis en dat verschaffen van toegang, terwijl hij, verdachte, wist dat die toegang wederrechtelijk was."

2.3. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging het volgende in:

"Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen. Daartoe is - op de gronden als verwoord in de pleitnota - aangevoerd dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen, gelet de omstandigheden in de onderhavige zaak, niet in redelijkheid tot (verdere) vervolging van verdachte had moeten dan wel kunnen besluiten.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer treft geen doel.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel bepaalt het Openbaar Ministerie of er al dan niet vervolgd wordt. De in deze bepaling aan het Openbaar Ministerie opgedragen opportuniteitsbeoordeling impliceert een belangenafweging, die slechts marginaal door de rechter kan worden getoetst. De door de verdediging geschetste omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof niet mee dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot een vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

Het hof overweegt ambtshalve nog dat de omstandigheid, dat verdachte in strijd met een mededeling van de officier van justitie aan het arrondissementsparket te Breda geen transactie is aangeboden, dit niet anders maakt. Immers, daargelaten of deze toezegging tot verdachte was gericht, heeft de verdachte bij dit verweer geen belang, nu het Openbaar Ministerie geen hogere straf heeft gevorderd dan het eventuele transactievoorstel.

Aangezien ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte."

2.4. De klacht dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv. Dienaangaande geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130, rov. 6.3).

2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 8 februari 2011.