Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO7517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
09/02254
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO7517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Overschrijding grenzen rechtsstrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/284
NJB 2011, 463
JWB 2011/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 februari 2011

Eerste Kamer

09/02254

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht THE BANK OF NOVA SCOTIA,

gevestigd op Sint Maarten,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk,

t e g e n

mr. B.G. HOFMAN, curator in de faillissementen van

1. [betrokkene 1],

2. [A] N.V.,

3. [B] N.V.,

wonende op Sint Maarten,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. E. Grabandt, thans mr. J.P. Heering.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de bank en de curator.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak AR 177/2002 van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten van 25 maart 2003, 8 november 2005 en 27 maart 2007,

b. het vonnis in de zaak AR 177/02-H-163/08 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 6 maart 2009.

Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof heeft de bank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor de bank toegelicht door haar advocaat en mr. P.A. Fruytier, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [B] N.V. (hierna: [B]), die op 21 juni 2002 in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. Hofman tot curator, was begin februari 2000 eigenares van vijf op Sint Maarten gelegen onroerende zaken (hierna: de panden). Hierop waren ten behoeve van de bank hypotheken gevestigd ter verzekering van de nakoming door [B] van een schuld aan de bank uit geldlening - begin februari 2000 groot $ 903.971,49 - en een schuld aan de bank uit hoofde van een garantstelling - begin februari 2000 groot $ 434.000,--. Begin februari 2000 was [B] derhalve aan de bank een bedrag verschuldigd van in totaal $ 1.337.971,49.

(ii) Bij overeenkomst van 27 oktober 1999 zijn de vijf panden van [B] samen met onroerende zaken van Sekeri Real Estate Holdings N.V., [A] N.V. en Seaforth Holding Limited verkocht aan een koper die in de overeenkomst wordt omschreven als "[betrokkene 1], a businessman, (...), and/or his assign(s)". De totale koopprijs bedroeg $ 4.600.000,--. In artikel 9 is bepaald dat de overeenkomst met goedkeuring van de bank is aangegaan, zij het onder meer onder de voorwaarde dat "the aforementioned deposit shall be applied in its entirety towards the outstanding debts of Seller to said bank".

(iii) Op 3 februari 2000 zijn de vijf panden van [B] en een pand van Sekeri Real Estate Holdings N.V. geleverd aan MKM Enterprises Ltd. De op deze panden betrekking hebbende koopsom van $ 2.375.000,-- is rechtstreeks aan de bank betaald. Van dit bedrag is een bedrag van $ 1.540.000,-- toe te rekenen aan de door [B] overgedragen panden.

(iv) Op 3 februari 2000 bedroeg de schuld van [A] N.V. aan de bank meer dan $ 644.000,--.

3.2 De door de curator ingestelde vordering strekt ertoe, voor zover in cassatie van belang, dat de bank wordt veroordeeld tot (terug)betaling van het bedrag dat zij begin februari 2000 meer van de koopsom aan zich heeft laten uitbetalen dan zij op dat moment te vorderen had van [B] uit hoofde van de door hypotheek gedekte schulden. Tegen deze vordering heeft de bank in hoger beroep onder meer het verweer gevoerd dat in art. 9 van de op 27 oktober 1999 gesloten koopovereenkomst is bepaald dat de opbrengst van de transactie in zijn geheel zal worden aangewend ter voldoening van alle schulden van de verkopende partijen aan de bank, en dat dit betekent dat - ervan uitgaande dat begin februari 2000 de schuld van [B] aan de bank $ 1.337.971,49 bedroeg - [B] vrijwillig ook schulden heeft voldaan van één of meer van haar zustervennootschappen, waaronder [A] N.V., hetgeen [B] vrijstond, aldus de bank.

Het hof heeft dit verweer verworpen en de bank veroordeeld tot betaling van - in hoofdsom - $ 202.028,51 (te weten het hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde bedrag van $ 1.540.000,-- minus de schuld van [B] ten bedrage van $ 1.337.971,49). Het hof heeft daartoe het volgende overwogen.

"4.5.4 De Bank heeft ter zake dit geschilpunt nog gewezen op het feit dat de koopovereenkomst van 27 oktober 1999 (...) inhoudt dat de verkoper (waarmee ook [B] wordt bedoeld) zich er toe verbindt om de totale koopsom in handen te stellen van de Bank ter delging van de schulden van alle partijen die in die koopovereenkomst als verkoper worden aangeduid. Dat moge zo zijn, doch het staat niet onomstotelijk vast dat de panden inderdaad zijn overgedragen op basis van die met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst. De panden zijn immers niet aan hem maar aan MKM Enterprises LTD geleverd terwijl is gesteld noch gebleken dat dit op basis van de overeenkomst van 27 oktober 1999 is geweest noch dat een eventuele nieuwe verkoopovereenkomst dezelfde passage bevat. Het Hof wijst er hierbij verder nog op dat de overeenkomst van 27 oktober 1999 niet dezelfde panden betreft als de panden die op 3 februari 2000 zijn geleverd.

Het Hof leest ook in hetgeen de Bank onder 10 van haar pleitnota heeft gesteld nog steeds niet dat de op 3 februari 2000 ontvangen koopsom haar grondslag vond in de koopovereenkomst van 27 oktober 1999."

3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het hof door aldus te oordelen buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu tussen partijen niet in geschil was dat de panden op 3 februari 2000 werden geleverd op basis van de koopovereenkomst van 27 oktober 1999.

Het onderdeel is terecht voorgesteld.

Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3 heeft de curator zowel in eerste aanleg als in hoger beroep tot uitgangspunt genomen dat de levering van onder meer de vijf panden van [B] op 3 februari 2000 plaatsvond op basis van de koopovereenkomst van 27 oktober 1999. Ook de bank is in de procedure steeds uitgegaan van de samenhang tussen de levering op 3 februari 2000 en de koopovereenkomst van 27 oktober 1999. De grondslag waarop de levering heeft plaatsgevonden was derhalve tussen partijen niet in geschil. Het hof is dan ook door te oordelen dat niet onomstotelijk vaststaat dat de vijf panden van [B] op 3 februari 2000 zijn geleverd op basis van de koopovereenkomst van 27 oktober 1999, buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

Dit brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat de overige onderdelen geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 6 maart 2009;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van

de bank begroot op € 4.666,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 februari 2011.