Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO7118

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09/03237
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO7118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Afwijzing vordering tot vergoeding schade ter zake van wanprestatie wegens weigeren teruggave paard, onbegrijpelijk. Verwijzing naar hetzelfde hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/259
NJB 2011, 416
JWB 2011/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 februari 2011

Eerste Kamer

09/03237

DV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[Verweerder], handelend onder de naam [A],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 110155/HA ZA 02-1093 van de rechtbank Breda van 14 januari 2004;

b. de arresten in de zaak HD 103.000.651 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 april 2006, 3 oktober 2006, 29 mei 2007 en 12 mei 2009.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn cassatieberoep voor zover zich dat richt tegen de arresten van 3 oktober 2006 en 29 mei 2007 en voor zover het betreft klacht V, en tot verwerping voor het overige.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor de feiten die in cassatie tot uitgangspunt kunnen dienen en een uitvoerige beschrijving van het procesverloop wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-generaal onder 1 en 2.

3.2 De klachten van de onderdelen I-IV kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3.1 Onderdeel V klaagt dat het hof niet, althans niet deugdelijk gemotiveerd heeft beslist over de vordering van [eiser] tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van derving van het genot van Jolita doordat [verweerder] in strijd met de stallingsovereenkomst Jolita niet op 24 oktober 2001 maar pas op 1 november 2003 aan [eiser] heeft teruggegeven.

3.3.2 Zoals het hof heeft overwogen in rov. 4.7.1 van zijn tussenarrest van 11 april 2006 heeft [eiser] gesteld dat [verweerder] wanprestatie heeft gepleegd (a) door Jolita pas op 1 november 2003 aan hem terug te geven in plaats van op 24 oktober 2001 en (b) doordat [eiser] Jolita als gevolg van een ontoereikende verzorging door [verweerder] kreupel heeft teruggekregen terwijl Jolita dat bij de aanvang van de stallingsovereenkomst in 1997 niet was. [Eiser] vorderde ter zake van deze wanprestatie een schadevergoeding van in totaal € 99.943,88 subsidiair € 58.943,88 waarin een bedrag was opgenomen van € 18.000,-- op basis van 24 maanden à € 750,-- per maand wegens gemist genot van Jolita (grond (a)).

3.3.3 In rov. 4.5.2 van het tussenarrest van 11 april 2006 heeft het hof overwogen dat met de overeenkomst van 24 oktober 2001 partijen hebben te kennen gegeven dat de stallingsovereenkomst op dat moment nog bestond en dat zij de voortzetting ervan afhankelijk maakten van de uitkomsten van de overeengekomen onderzoeken. Hierin ligt besloten dat naar het oordeel van het hof [verweerder] niet gehouden was het paard op 24 oktober 2001 aan [eiser] terug te geven, zodat in zoverre van wanprestatie van [verweerder] geen sprake was.

Het hof heeft bij zijn genoemde tussenarrest de vordering tot betaling van € 99.943,88 subsidiair € 58.943,88 aangehouden in afwachting van het in het arrest van 3 oktober 2006 in het vooruitzicht gestelde deskundigenonderzoek. Daarmee heeft het hof dus tevens de beslissing aangaande de hiervoor genoemde post van € 18.000,-- aangehouden.

In het eindarrest heeft het hof blijkens rov. 15.1 de gehele vordering tot betaling van € 99.943,88 subsidiair € 58.943,88 afgewezen, dus inclusief de post van € 18.000,-- ter zake van de wanprestatie bestaande in het ten onrechte weigeren van teruggave van het paard. Anders dan het onderdeel primair betoogt heeft het hof dus wel beslist over deze post, zodat het onderdeel in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

Voor die afwijzing is evenwel geen redengeving in het arrest te vinden en evenmin daaruit af te leiden, te minder nu het hof de kosten van de sequestratie van 13 maart 2002 tot 1 november 2003 ten laste van [verweerder] heeft gebracht omdat hij in deze periode ten onrechte heeft geweigerd het paard af te geven aan [eiser] (rov. 4.6.4 en 4.8 van het tussenarrest van 11 april 2006 en rov. 16.2.2 van het eindarrest), waarmee het hof als zijn oordeel te kennen heeft gegeven dat [verweerder] vanaf het moment dat de stallingsovereenkomst was geëindigd (13 februari 2002) in verzuim was met teruggave van het paard. De motiveringsklacht van het onderdeel slaagt dan ook.

3.4 Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.

De Hoge Raad vindt aanleiding de zaak te verwijzen naar hetzelfde hof opdat dit opnieuw zal beslissen op het genoemde onderdeel van de vordering van [eiser].

3.5 Aangezien het middel geen klachten bevat tegen de tussenarresten van het hof van 3 oktober 2006 en 29 mei 2007 dient [eiser] in zijn beroep tegen die arresten niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2006 en 29 mei 2007;

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 mei 2009;

verwijst het geding naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 februari 2011.