Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO6750

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
09/03539
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO6750
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8 WVW 1994. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent art. 8 WVW 1994 de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. De enkele kennelijk in het kader van de straftoemeting aangevoerde, niet nader geconcretiseerde stelling van de raadsman over het beginnend bestuurderschap noopte het Hof niet tot een nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/187
NJ 2011/62
NJB 2011, 356
VR 2012/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 januari 2011

Strafkamer

nr. 09/03539

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 april 2009, nummer 21/001969-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat "het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat verzoeker als beginnend bestuurder wordt aangemerkt".

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 13 januari 2008 in de gemeente Apeldoorn als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 585 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal (5 juli 2007) een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende door het Hof gebezigde bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Het klopt dat ik op 13 januari 2008 in de gemeente Apeldoorn bestuurder ben geweest van een motorrijtuig na gebruik van alcohol. Ik weet dat mijn adem per uitgeademde lucht 585 microgram bevatte."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een of meer van hen:

"Op 13 januari 2008 kregen wij, eerste en tweede verbalisant, kennis van een verkeersongeval op de Koninginnelaan te Apeldoorn. De bestuurder van een personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] die bij dat ongeval betrokken was, gaf ons op te zijn: [verdachte]. Wij zagen dat het rijbewijs van de bestuurder was afgegeven op 5 juli 2007 voor de categorie AM/B. Aan de hand van de beschikbare gegevens stelden wij vast, dat sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was verstrekt nog geen vijf jaren waren verstreken en dat de eerste afgifte op of na 30 maart 2002 had plaatsgevonden."

c. een ademanalyseformulier, waarop als ademonderzoekresultaat is vermeld dat de lucht die verdachte uitademde per liter 585 mg alcohol bevatte.

2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte als reden voor zijn hoger beroep heeft opgegeven de door de Politierechter opgelegde geldboete te hoog te vinden, en dat de raadsman heeft aangevoerd:

"Met de officier van justitie in eerste aanleg ben ik van mening dat verdachte niet als beginnend bestuurder is aan te merken. Verdachte had al jaren een rijbewijs voordat hij naar Nederland kwam. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS hoort bij dit feit geen straf van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. Bovendien is verdachte het rijbewijs ongeveer 6 maanden kwijt geweest, terwijl hem een ontzegging van 4 maanden was opgelegd. Verder is de opgelegde geldboete te hoog gezien de financiële situatie van verdachte. Tenslotte kan het ongeval niet aan het alcoholgebruik van verdachte worden geweten, maar aan de omstandigheid dat het glad was op de weg. Ik vraag om een geldboete van € 400,- op te leggen aan verdachte."

2.3. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent art. 8 WVW 1994 de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. De enkele, kennelijk in het kader van de straftoemeting aangevoerde, niet nader geconcretiseerde stelling van de raadsman over het beginnend bestuurderschap noopte het Hof niet tot een nadere motivering van de bewezenverklaring.

2.4. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 25 januari 2011.