Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO6742

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/03324
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO6742
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. N.o. ingestelde hoger beroep. 2. Verontschuldigbare termijnoverschrijding. Ad 1. Betoogd wordt dat verdachte door ter terechtzitting ten overstaan van de Pr en de griffier te kennen te geven dat hij tegen het vonnis van de Pr hoger beroep wilde instellen, tijdig en rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld. Dat betoog kan niet als juist worden aanvaard gelet op de gronden zoals in de conclusie AG is uiteengezet. Ad 2. Het Hof had bij de beoordeling van dat verweer dienen te betrekken dat verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem ex art. 381 Sv de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel ten overstaan van de Pr verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld (vgl. HR LJN BL7694). Nu het Hof dat heeft nagelaten is de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat op de achterzijde van de inleidende dagvaarding aan verdachte reeds op voorhand bekend was gemaakt op welke wijze en op welke locatie hij hoger beroep kon instellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/337
NJB 2011, 587

Uitspraak

22 februari 2011

Strafkamer

Nr. 09/03324

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 augustus 2009, nummer 22/001649-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, aangezien het beroep tijdig en rechtsgeldig was ingesteld.

2.2. Het middel betoogt dat de verdachte, door ter terechtzitting ten overstaan van de Politierechter en de griffier te kennen te geven dat hij tegen het vonnis van de Politierecnter hoger beroep wilde instellen, tijdig en rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal is uiteengezet kan dat betoog niet als juist worden aanvaard.

2.3. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1Het middel klaagt dat het Hof het beroep van de verdachte op verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2De aantekening van het mondelinge arrest houdt onder meer in:

"Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier is het hof het volgende gebleken.

De verdachte is, nadat de inleidende dagvaarding aan een mondeling gemachtigde was uitgereikt, op 19 februari 2009 in persoon, zonder raadsman/vrouw, ter terechtzitting van de politierechter te Rotterdam verschenen en de uitspraak in zijn zaak is aan hem in persoon medegedeeld. Voorts heeft, naar de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft medegedeeld, de politierechter na het uitspreken van het vonnis de verdachte mondeling kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat en van de termijn, waarbinnen dat kan worden aangewend.

De beroepstermijn bedraagt veertien dagen en verliep derhalve op 5 maart 2009.

In het dossier bevindt zich een akte rechtsmiddel, waaruit blijkt dat namens de verdachte op 24 maart 2009, derhalve na ommekomst van de beroepstermijn, ter griffie van de rechtbank Rotterdam tegen het vonnis van de politierechter van 19 februari 2009 hoger beroep is ingesteld.

De advocaat-generaal heeft om die reden gevorderd dat de verdachte in zijn hoger beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof stelt voorop, dat het voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep in beginsel dient uit te gaan van de zich in het dossier bevindende akte rechtsmiddel. Dit betekent dat het er in beginsel voor moet worden gehouden, dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat de verdachte daarin derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep hiertegen het volgende aangevoerd:

De verdachte heeft reeds na de uitspraak ter terechtzitting in eerste aanleg op 19 februari 2009 aan de politierechter verklaard in hoger beroep te gaan en de politierechter heeft toen geantwoord: 'Dat is prima'.

(...)

Subsidiair doet de raadsman een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de verdachte erop mocht vertrouwen dat door hem op 19 februari 2009 rechtsgeldig hoger beroep was ingesteld. De politierechter, zo heeft de raadsman naar voren gebracht, heeft de verdachte ook in die waan gelaten.

(...)

Het hof begrijpt het subsidiaire standpunt van de verdediging aldus, dat zij meent dat de politierechter door - na de verdachte kennis te hebben gegeven van de beroepsmogelijkheid en van de termijn, waarbinnen dat beroep kan worden ingesteld - verdachtes aankondiging in hoger beroep te willen gaan te beantwoorden met de woorden: 'Dat is prima', bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, dat hij op dat moment rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld.

Het hof verwerpt ook dit subsidiaire verweer.

Gesteld al dat de politierechter de door de raadsman genoemde woorden heeft uitgesproken, brengt dit naar het oordeel van het hof niet mee, dat daardoor bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, dat hij rechtsgeldig hoger beroep had ingesteld. Het hof wijst daarbij op hetgeen hierboven omtrent de wettelijke bepalingen is overwogen en op de omstandigheid dat op de achterzijde van de inleidende dagvaarding aan de verdachte reeds op voorhand bekend was gemaakt op welke wijze en op welke locatie hij hoger beroep kon instellen."

3.4. Het Hof had bij de beoordeling van het verweer behoren te betrekken dat de verdachte, naar uit de stukken volgt, in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld (vgl. HR 12 oktober 2010, LJN BL7694, NJ 2010/585 rov.2.6). Nu het Hof dat heeft nagelaten, is de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid "dat op de achterzijde van de inleidende dagvaarding aan de verdachte reeds op voorhand bekend was gemaakt op welke wijze en op welke locatie hij hoger beroep kon instellen".

3.5 Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 februari 2011.