Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO6106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
10/00698
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO6106
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHSHE:2014:3531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Aandelenlease. Dexia. Is de verjaringstermijn voor een beroep op vernietiging aandelenlease-overeenkomst ex art. 1:88 en 1:89 BW door echtgenote ingevolge art. 3:52 lid 1 BW verstreken? Ten onrechte vanwege een onvoldoende onderbouwing met concrete feiten gepasseerd aanbod om te bewijzen dat echtgenote meer dan drie jaar vóór vernietigingshandeling bekend was geraakt met de aandelenlease-overeenkomst. In het onderhavige geval kon bezwaarlijk worden verlangd dat bij dit aanbod nadere - in de sfeer van de contractuele wederpartij en diens echtgenote gelegen - feitelijke gegevens werden verstrekt over het moment waarop de echtgenote bekend raakte met de overeenkomst. In casu brengen de eisen van een goede procesorde mee dat met het oog op het, mede door art. 166 Rv. gewaarborgde, belang van de waarheidsvinding door het leveren van getuigenbewijs, aan de feitelijke onderbouwing van de stelling niet de eisen mogen worden verbonden die daaraan zijn gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/172
NJ 2012/603 met annotatie van H.J. Snijders
NJB 2011, 304
JE 2011, 114
JWB 2011/63
JBPR 2011/31 met annotatie van mw. mr. H.L.G. Wieten
JOR 2011/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2011

Eerste Kamer

10/00698

EE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaten: mr. S. Kousedghi en mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Dexia en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 04/172 van de rechtbank Middelburg van 29 december 2004,

b. het vonnis in de zaak 05-170 van de kantonrechter te Middelburg van 6 juni 2005,

c. het arrest in de zaak 105.003.610/01, rolnummer (oud) 05/1234 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 november 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Dexia beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principale beroep.

De advocaat van Dexia heeft bij brief van 9 december 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] en de rechtsvoorganger van Dexia, Legio-Lease B.V., hebben een effectenlease-overeenkomst gesloten met de naam 'WinstVerDriedubbelaar' (verder: de overeenkomst). De overeenkomst is gedateerd op 10 maart 2000.

(ii) De overeenkomst heeft een looptijd van 36 maanden, te rekenen vanaf de eerste aankoopdag van effecten, 10 maart 2000. De leasesom bedraagt € 113,05 per maand en in totaal € 23.466,12. Er zijn drie tranches van elk 68 aandelen ABN AMRO, 68 aandelen Ahold en 68 aandelen ING aangekocht.

(iii) [Verweerder] heeft door een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW laten weten niet gebonden te willen zijn aan de zogenoemde "Duisenbergregeling".

(iv) De echtgenote van [verweerder] heeft bij brief van 17 maart 2004 aan Dexia bericht dat zij de overeenkomst op grond van art. 1:88 en 1:89 BW vernietigt nu zij geen toestemming voor het aangaan van de overeenkomst heeft verleend.

3.2.1 Dexia heeft in eerste aanleg bij de rechtbank gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van de restschuld van € 12.285,73, te vermeerderen met rente en kosten. De rechtbank heeft bij verstek het gevorderde toegewezen.

Nadat [verweerder] in verzet gekomen was van het bij verstek gewezen vonnis, heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de sector kanton, omdat de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een huurkoop.

Tegenover het betoog van [verweerder] dat de overeenkomst door zijn echtgenote bij buitengerechtelijke verklaring van 17 maart 2004 is vernietigd, heeft Dexia aangevoerd dat deze buitengerechtelijke verklaring ingevolge art. 3:52 lid 2 BW geen effect heeft kunnen sorteren omdat de rechtsvordering tot vernietiging van de op 10 maart 2000 gesloten overeenkomst, gelet op art. 1:89 BW in verbinding met art. 3:52 lid 1, onder d, BW, reeds was verjaard op het tijdstip waarop de verklaring werd verzonden.

De kantonrechter heeft het beroep van [verweerder] op de buitengerechtelijke vernietiging door zijn echtgenote afgewezen onder meer op de grond dat "het beroep te laat is ingesteld". Voorts heeft de kantonrechter het verstekvonnis vernietigd en [verweerder] veroordeeld om aan Dexia te betalen een bedrag van € 3.685,72.

3.2.2 In het door [verweerder] ingestelde hoger beroep is hij opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat hem geen beroep op de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst toekomt omdat het beroep te laat is ingesteld. Daartoe heeft hij onder meer betwist dat zijn echtgenote vanaf het begin van de looptijd van de overeenkomst op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomst. Hij heeft in dat verband betoogd dat zijn echtgenote pas begin 2003 - naar aanleiding van berichten in het nieuws - te weten is gekomen dat hij de overeenkomst had gesloten.

Dexia heeft daartegenover in haar memorie van antwoord het volgende betoogd. De bewijslast van de subjectieve bekendheid van de echtgenote van [verweerder] met de overeenkomst rust weliswaar op haar (Dexia), maar aan deze bewijsvoering mogen geen hoge eisen worden gesteld. Deze subjectieve bekendheid kan worden afgeleid uit ten processe gebleken feiten en omstandigheden.

Dit bewijs kan worden geput uit algemene ervaringsregels met betrekking tot hetgeen, gelet op de positie van partijen en de aard van de handeling, binnen gezinsverhoudingen gebruikelijk is. Naar algemene ervaringsregels informeren echtelieden elkaar over het aangaan van een overeenkomst als de onderhavige en niet is gebleken dat zich op die regel in dit geval een uitzondering zou voordoen. Voor het geval het hof zou oordelen dat [verweerder] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zijn echtgenote minder dan drie jaar voorafgaand aan 17 maart 2004 kennis heeft genomen van het bestaan van de overeenkomst, biedt Dexia bewijs aan van haar stelling dat de echtgenote van [verweerder] meer dan drie jaar voorafgaand aan genoemde datum kennis heeft genomen van de overeenkomst, zulks met alle middelen rechtens, het horen van getuigen daaronder begrepen.

[Verweerder] heeft bij pleitnota in eerste termijn herhaald dat zijn echtgenote eerst begin 2003 ermee bekend is geraakt dat hij de overeenkomsten met Dexia had gesloten en dat de reden dat zij daarmee niet eerder bekend was, ligt in de onderlinge taakverdeling tussen de echtelieden, die inhield dat de financiën van het gezin uitsluitend en alleen door [verweerder] werden bestierd.

Hij heeft voorts aangevoerd dat waar Dexia zich op het standpunt stelt dat zijn echtgenote eerder met een en ander bekend was, Dexia daarvan de bewijslast draagt welke zij slechts zal kunnen vervullen door specifieke feiten en omstandigheden aan te dragen die betrekking hebben op [verweerder] en zijn echtgenote, en niet op "de Nederlandse gezinsverhoudingen" in het algemeen.

Dexia heeft daarop bij pleitnota schriftelijk pleidooi (tweede termijn) betoogd dat [verweerder] het laat bij de enkele stelling dat zijn echtgenote pas in 2003 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst, dat deze stelling onaannemelijk is, en dat zelfs als inderdaad van zo'n traditionele rolverdeling sprake is als door [verweerder] gesteld, zulks niet eraan afdoet dat echtgenoten zeker een beleggingsbeslissing als de onderhavige met elkaar delen. In dat verband heeft Dexia erop gewezen dat [verweerder] naast de onderhavige overeenkomst nog twee effectenlease-overeenkomsten met Dexia heeft afgesloten, respectievelijk op 11 juni 1997 (met een maandlast van € 114,03, aangevuld op 1 mei 1999 met een 'Winstverbeteraar') en op 15 november 2000 (met een maandlast van € 226,89). Dexia heeft geconcludeerd dat [verweerder] niet aan zijn (verzwaarde) stelplicht heeft voldaan en dat zijn stelling dat zijn echtgenote pas in 2003 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst reeds daarom gepasseerd dient te worden. Zou het hof daarover anders oordelen, dan dient - aldus Dexia - uit de bovengenoemde feiten tenminste het vermoeden te worden geput dat de echtgenote meer dan drie jaar voorafgaand aan haar vernietigingsverklaring bekend was met het bestaan van de overeenkomst. Voor het geval Dexia ook daarin niet kan worden gevolgd, heeft Dexia verwezen naar haar bewijsaanbod opgenomen in haar memorie van antwoord.

3.2.3 Het hof heeft het beroep van [verweerder] op de buitengerechtelijke vernietiging door zijn echtgenote gehonoreerd en het beroep van Dexia op verjaring verworpen. Het hof heeft daartoe overwogen:

"3.4 (...) De echtgenote van [verweerder] heeft het beroep op vernietiging van de overeenkomst gedaan bij brief van 17 maart 2004. Het hof gaat ervan uit dat Dexia deze brief uiterlijk vrijdag 19 maart 2004 heeft ontvangen. Dexia heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat de echtgenote eerder dan drie jaar vóór 19 maart 2004 op de hoogte was van de overeenkomst. Hetgeen Dexia stelt omtrent ervaringsregels binnen gezinsverhoudingen betreffende andere gezinnen dan dat van [verweerder] is niet relevant. Het gaat erom of de echtgenote van [verweerder] op de hoogte was van de overeenkomst. Ook uit het feit dat de overeenkomst substantiële betalingsverplichtingen met zich bracht, volgt niet dat de echtgenote van [verweerder] op de hoogte was van de overeenkomst. Nu Dexia geen concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat de echtgenote van [verweerder] eerder dan drie jaar vóór 19 maart 2004 op de hoogte was van de overeenkomst, gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia op dit punt."

3.2.4 Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd, de vorderingen van Dexia in eerste aanleg afgewezen, voor recht verklaard dat de overeenkomst bij brief van 17 maart 2004 buitengerechtelijk is vernietigd en Dexia veroordeeld tot terugbetaling aan [verweerder] van € 4.069,80.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het middel richt zich tegen rov. 3.4 en klaagt dat, mede in het licht van het tussen partijen gevoerde debat, onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof het aanbod van getuigenbewijs van Dexia heeft gepasseerd.

Daartoe voert het middel in het bijzonder het volgende aan. Dexia's aanbod strekte onmiskenbaar ertoe het echtpaar [verweerder en zijn echtgenote] zelf als getuigen te doen horen. Het bewijsaanbod is tijdig gedaan en niet eerder zijn getuigen gehoord. Dexia heeft weliswaar geen concrete feiten gesteld waaruit de eerdere bekendheid van [verweerder]s echtgenote volgt, maar zulks kan ook bezwaarlijk van Dexia worden gevergd nu dergelijke feiten in het privédomein liggen, tot welk domein Dexia slechts toegang kan krijgen door de echtelieden onder ede te horen. 's Hofs oordeel dat Dexia's stellingen omtrent ervaringsregels binnen gezinsverhoudingen irrelevant zijn omdat zij andere gezinnen dan dat van [verweerder] betreffen, behelst een ontoelaatbare petitio principii en/of prognose, althans miskent dat zo'n algemene ervaringsregel wel degelijk een relevant aanknopingpunt voor het recht op bewijslevering door getuigenbewijs vormt. Zulks geldt a fortiori in het licht van de uit de overeenkomst (en de twee andere door [verweerder] met Dexia gesloten overeenkomsten) voortvloeiende substantiële maandelijkse betalingsverplichtingen ten bedrage van in totaal € 453,97. Immers, de door [verweerder] gegeven verklaring dat hij zelf het exclusieve bestuur van de gezinsfinanciën had, verklaart niet waarom hij deze substantiële maandlasten voor zijn echtgenote verborgen zou hebben gehouden, temeer niet nu (blijkens een brief van 30 januari 2003 van [verweerder] aan Dexia waarin hij om kwijtschelding van de restschuld verzoekt) met de WinstVerDriedubbelaar een opvang werd beoogd voor de door de voorziene gezinsuitbreiding wegvallende arbeidsinkomsten van zijn echtgenote.

4.2.1 Het hof heeft, in cassatie terecht niet bestreden, tot uitgangspunt genomen dat de termijn van de verjaring van de rechtsvordering van de echtgenote van [verweerder] tot vernietiging van de overeenkomst op grond van het ontbreken van haar toestemming, is gaan lopen vanaf het tijdstip waarop zij met de overeenkomst daadwerkelijk bekend was. In cassatie evenzeer terecht niet bestreden, heeft het hof aangenomen dat op Dexia de stelplicht en bewijslast rust ter zake van de verjaring.

Dexia diende in het onderhavige geval derhalve te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de echtgenote van [verweerder] eerder dan drie jaar vóór 19 maart 2004 daadwerkelijk bekend was met het feit dat [verweerder] de overeenkomst had gesloten.

4.2.2 Het hof, dat kennelijk heeft geoordeeld en heeft kunnen oordelen dat [verweerder] de stelling van Dexia dat zijn echtgenote eerder daadwerkelijk bekend was met de overeenkomst voldoende gemotiveerd heeft betwist en dat geen grond bestaat voorshands, behoudens door [verweerder] te leveren tegenbewijs, aan te nemen dat zijn echtgenote op de hoogte was van de overeenkomst, heeft het bewijsaanbod van Dexia gepasseerd op de grond dat Dexia geen concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat de echtgenote van [verweerder] eerder dan drie jaar vóór 19 maart 2004 op de hoogte was van de overeenkomst.

Aldus heeft het hof miskend dat in het onderhavige geval van Dexia bezwaarlijk kon worden verlangd dat zij nadere feitelijke gegevens verstrekte omtrent de eerdere bekendheid van de echtgenote van [verweerder] met de overeenkomst. In aanmerking genomen dat de desbetreffende stelling betrekking heeft op, voor de beslissing van de zaak relevante, omstandigheden van subjectieve aard die zich geheel in de sfeer van [verweerder] en zijn echtgenote hebben afgespeeld, en gelet op het (hiervoor in 3.2.2 samengevatte) partijdebat, brengen de eisen van een goede procesorde in dit geval immers mee dat met het oog op het, mede door art. 166 Rv. gewaarborgde, belang van de waarheidsvinding door het leveren van getuigenbewijs, aan de feitelijke onderbouwing van die stelling niet de eisen mogen worden gesteld die het hof hier heeft aangenomen.

Het middel slaagt.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

5.1 Het middel, dat aan de orde komt nu het middel in het principale beroep slaagt, richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.4, met de klacht dat het hof ten onrechte niet aan het bewijsaanbod van Dexia is voorbijgegaan op de grond dat het slechts in algemene termen is vervat.

5.2 Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat Dexia haar bewijsaanbod in louter algemene bewoordingen heeft gedaan. Blijkens de (hiervoor in 3.2.2 weergegeven) inhoud van de stukken van het geding heeft Dexia voldoende duidelijk gemaakt dat het bewijsaanbod betrekking heeft op de stelling dat de echtgenote van [verweerder] eerder bekend was met de overeenkomst. Ook overigens kan het middel niet tot cassatie leiden. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat geen getuigen zijn genoemd niet de conclusie dat het bewijsaanbod onvoldoende concreet was.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 november 2009;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dexia begroot op € 547,44 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dexia begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 28 januari 2011.