Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO5831

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
09/00182
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklachten. 1. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de in de bewezenverklaring genoemde creditcards en telefoonkaart door misdrijf zijn verkregen. Aangenomen moet worden dat die voorwerpen als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring zijn opgenomen. De HR leest de bewezenverklaring verbeterd. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet worden aangetast, behoeft ’s Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden. 2. ’s Hofs in de bewijsoverweging gevatte oordeel moet aldus worden verstaan dat het niet aannemelijk heeft geacht dat verdachte de desbetreffende voorwerpen heeft gevonden. Het middel dat op een andere dus onjuiste lezing van de bestreden uitspraak berust, mist derhalve feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 februari 2011

Strafkamer

Nr. 09/00182

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 oktober 2008, nummer 22/005309-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1

2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof hewezenverklaard dat:

"1. hij op 17 september 2006 te 's-Gravenhage identiteitskaarten en bankpasjes en creditcards en een telefoonkaart voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die kaarten en pasjes wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2. hij op 17 september 2006 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft voorhanden gehad een vervalste OV-studentenkaart

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers was die kaart op naam gesteld van [benadeelde partij 1] en was zijn, verdachte's pasfoto, op die kaart aangebracht;

3. hij op 17 september 2006 te 's-Gravenhage een wapen van categorie 1 onder 7, te weten een veerdrukpistool merk: Marksman, type: Repeater, kaliber 4,5 mm - zijnde een voorwerp vermeld op lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behoren de bijlage - voorhanden heeft gehad;

5. hij op 26 augustus 2006 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik zal je verminken zodat niemand je meer wilt; Als je een relatie met een ander krijgt, dan gaan jullie allebei dood; Ik ga je vermoorden; Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."

2.2. De bewezenverklaring van feit l steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op l7 september 2006 was ik in de woning van mijn ex-vriendin [slachtoffer 1] aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Ik kan mij herinneren dat er die dag meer mensen in de woning aanwezig waren. Ik was in het bezit van de sleutels van die woning. Ik heb een zak met kaarten en pasjes in de kluis gelegd; die kluis staat in de woning van [slachtoffer 1]. Het is goed mogelijk dat die zak zes maanden in de kluis heeft gelegen. De OV-jaarkaart op naam van [benadeelde partij 1] heb ik van een persoon van wie ik mij de naam niet kan herinneren gekocht. Ik heb hem € 20,-en mijn foto gegeven. Ik heb mij destijds wel gerealiseerd dat ik mij door die kaart te kopen schuldig heb gemaakt aan een strafbaar feit."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op 16 september 2006 (het hof begrijpt: 17 september 2006) ben ik getuige geweest van een incident met een vuurwapen. Ik was samen met een vriend en nog een paar mensen aan het verhuizen op de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Ik zag een Surinaamse man in de woonkamer zitten. Mijn vriend sprak hem aan en vertelde dat wij goederen gingen verhuizen omdat de ex-vriendin van de Surinaamse man de woning ging verlaten. Ik zag dat die Surinaamse man aan het rommelen was in een kast in de woonkamer. Ik zag dat de man een zwart vuurwapen uit de kast haalde. Ik zag dat dit een vuurwapen was, omdat ik de achterkant van het wapen zag. Ik heb zo'n achterkant wel eens van een vuurwapen van de politie gezien. Zodoende herkende ik het voorwerp als een vuurwapen. Ik zag dat de man het vuurwapen gekanteld in zijn rechterhand vasthield en vervolgens in zijn broeksband stopte. Ik zag dat het vuurwapen ongeveer 30 centimeter lang was.

Nadat de man het vuurwapen uit de kast had gehaald, zag ik dat hij verder ging met zoeken en rommelen in de kast."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 17 september 2006 bevond ik mij in de woning [a-straat 1] naar aanleiding van een melding dat een persoon in de woning zou zijn met een vuurwapen. Ik, verbalisant, zag dat in een kast in de woonkamer aan de bovenzijde een plank was aangebracht. Ik zag dat tussen deze plank en de muur een ruimte van ongeveer vijf centimeter zat. Ik voelde hier een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Ik heb het voorwerp opgepakt. Ik zag dat het een zwart vuurwapen betrof. Ik voelde twee harde kaarten. Ik heb de kaarten opgepakt en zag dat dit twee identiteitskaarten betrof. Tevens zag ik een giropas tussen de identiteitskaarten zitten."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 17 september 2006 zag ik, verbalisant, dat in een kast in de woonkamer van perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage een kluis stond. Door verbalisant [verbalisant 1] werden boven in een inbouwkast een vuurwapen, een giropas op naam van [benadeelde partij 2] en identiteitsbewijzen op naam van [benadeelde partij 2] respectievelijk [benadeelde partij 3] aangetroffen.

In dezelfde kast werd een identiteitskaart op naam van [benadeelde partij 8] aangetroffen. Het aangetroffen vuurwapen, de kluis, alsmede de identiteitsbewijzen en de giropas nam ik, verbalisant, in beslag."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 17 september 2006 is de verdachte [verdachte] op de [a-straat 1] te 's-Gravenhage aangehouden voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.

In de woning gelegen aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage is een kluis aangetroffen, met daarin de volgende pasjes:

Identiteitskaarten op naam van:

- [benadeelde partij 4], [geboortedatum] 1987;

- [benadeelde partij 5], [geboortedatum] 1988;

- [benadeelde partij 6];

- [benadeelde partij 7].

Bankpassen:

- ABN-Amro Eurostyle pas op naam van [benadeelde partij 4];

- Rabobank Europas op naam van [benadeelde partij 5];

- Rabobank Europas op naam van [benadeelde partij 9].

Credit cards:

- Lloyds TSB Gold pas op naam van [benadeelde partij 10];

- Lloyds TSB Debit card op naam van [benadeelde partij 10].

Een Telefoonkaart:

- Lloyd TBS PhoneBank Express kaart op naam van

- [benadeelde partij 10].

In de fouillering van de verdachte bleek dat er in de portemonnee van de verdachte een OV-studentenkaart zat op naam van [benadeelde partij 1] geboren [geboortedatum] 1985. De foto op deze studentenkaart is van de verdachte [verdachte]."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"Ik heb een relatie gehad met [verdachte]. Na enkele maanden kwam [verdachte] bij mij wonen. [verdachte] mag nog wel in mijn woning komen. Alleen [verdachte] en ik maakten gebruik van mijn woning aan de [a-straat 1] (het hof begrijpt: [1]) te 's-Gravenhage. In de maand augustus ben ik bij mijn zus in Rotterdam gaan logeren. Ik heb het in de woning aangetroffen vuurwapen niet eerder gezien."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 3]:

"Ik doe aangifte van diefstal. Op 20 december 2005 had ik les op het Zadkine College te Rotterdam. De tassen moeten achterblijven in een ruimte naast het lokaal. Later die dag kwam ik er achter dat mijn pinpas en mijn identiteitsbewijs niet meer in mijn portemonnee zaten. Ik denk dat de spullen die dag uit mijn portemonnee in mijn schoudertas gestolen zijn. Deze goederen zijn mijn eigendom."

h. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 8]:

"Ik doe aangifte van tassenrollerij, waarbij (onder andere) het volgende goed is weggenomen: een identiteitskaart.

Op 17 februari 2006 bevond ik mij in Café "[A]" te Berkel en Rodenrijs. Op dat moment had ik genoemd goed nog in mijn bezit; het bevond zich in mijn handtas. Ik ben eigenaar van dat goed.

Op 18 februari 2006 zag ik dat genoemd goed bij mij was weggenomen."

i. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:

"Ik doe aangifte van diefstal. Op 19 april 2005 te Oss is enig goed dat mij in eigendom toebehoort weggenomen. Iemand heeft de portemonnee uit mijn tas weggenomen. In mijn portemonnee zaten mijn giropas en identiteitskaart."

j. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 7]:

"Ik doe aangifte ter zake vermissing bescheiden. Op 18 juli 2006 tussen 16.00 uur en 16.15 uur ben ik mijn identiteitskaart kwijtgeraakt in het belhuis Ortel aan de Schiedamseweg te Rotterdam."

k. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 4]:

"Ik doe aangifte van tassenrollerij, waarbij (onder andere) de volgende goederen werden weggenomen: bankpas ABN-Amro en legitimatie.

Op 29 april 2006 bevond ik mij in Amsterdam. Op dat moment had ik genoemde goederen nog in mijn bezit. Omstreeks 21.00 uur zag ik dat genoemde goederen bij mij waren weggenomen. Deze goederen bevonden zich in mijn schoudertas."

l. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 5]:

"Hierbij doe ik aangifte van tassenrollerij waarbij (onder andere) de volgende goederen werden weggenomen: Rabobankpas en identiteitspas. Ik ben eigenaar van genoemde goederen. Op 29 april 2006 bevond ik mij in Amsterdam. Op dat moment had ik genoemde goederen nog in mijn bezit. Later zag ik dat genoemde goederen bij mij waren weggenomen. Deze goederen bevonden zich in mijn schoudertas."

2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 voorts nog het volgende overwogen:

"Uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier is, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, komen vast te staan dat tijdens een doorzoeking in de woning waarin de verdachte zich bevond, in de woonkamer in een ruimte boven een kast twee Nederlandse identiteitskaarten en een giropas zijn aangetroffen. Tevens werd er een vuurwapen aangetroffen. Enkel de verdachte en zijn ex-vriendin maakten gebruik van de woning. De ex-vriendin had de woning geruime tijd daarvoor verlaten. De identiteitskaarten en de giropas behoorden niet aan de verdachte toe en bleken eerder bij derden te zijn ontvreemd. De getuige [getuige 1] zag de verdachte, kort voor zijn aanhouding en het aantreffen van vorengenoemde goederen, rommelen in een kast in de woonkamer, waarna de verdachte een vuurwapen uit de kast haalde. Ofschoon de verdachte ontkent van het bestaan van een ruimte boven de kast te weten, volgt uit het aantreffen in die ruimte van een vuurwapen het tegendeel. Daarmee is, naar het oordeel van het hof eveneens genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte minstgenomen redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van de overige in meergenoemde ruimte aangetroffen goederen, te weten de twee identiteitskaarten en een bankpas. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat voornoemde goederen van diefstal afkomstig waren, waarbij het hof tevens betrekt dat in een kluis in die woning eveneens soortgelijke goederen zijn aangetroffen die aan derden toebehoorden.

In die kluis zijn aangetroffen diverse identiteitskaarten, bankpassen, creditcards en een telefoonkaart, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij ze ongeveer zes maanden daarvoor heeft gevonden in een plastic tas in de trein op een niet nader aangeduide locatie. Van het merendeel van die goederen is komen vast te staan dat ze van diefstal afkomstig waren. Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, voornemens was die goederen naar de politie te brengen, waardoor, aldus de verdediging, de opzet op de heling ontbreekt, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden, te minder nu de verdachte tot zijn aanhouding deze goederen al maanden onder zich hield en ze bewaarde in een afgesloten kluis met de kennelijke bedoeling ze aan het zicht te onttrekken."

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de door het Hof met betrekking tot feit 1 gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van dat feit niet kunnen dragen voor zover het de in die bewezenverklaring bedoelde creditcards en telefoonkaart betreft.

3.2Het middel is terecht voorgesteld. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan immers niet volgen dat de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde creditcards en telefoonkaart door misdrijf zijn verkregen. Aangenomen moet worden dat die voorwerpen als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring zijn opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met verbetering van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. Het in het slot van de bewijsoverweging van het Hof vervatte oordeel moet aldus worden verstaan dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte de desbetreffende voorwerpen heeft gevonden. Het middel, dat op een andere dus onjuiste lezing van de bestreden uitspraak berust, mist derhalve feitelijke grondslag.

4.3. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 februari 2011.