Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO5354

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09/04021
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5354
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ5635, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv, bekennende verdachte en Promis. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BL5628 m.b.t. een Promis-arrest en de uitzondering van art. 359.3 Sv daarop. Het Hof heeft i.c. wat betreft feit 4 niet volstaan met een 'opgave van de bewijsmiddelen', a.b.i. art. 359.3 Sv, maar met een bewijsvoering op een Promis-wijze. Nu het Hof echter niet heeft vastgesteld dat verdachte het feit in Roermond heeft gepleegd, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 januari 2011

Strafkamer

nr. 09/04021

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 augustus 2009, nummer 20/000678-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Limburg-Zuid, locatie De Geerhorst" te Sittard.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 4 voor zover inhoudende dat het feit in het arrondissement Roermond is gepleegd.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 mei tot en met 20 mei 2008 in het arrondissement Roermond, opzettelijk twee (2) valse bankbiljetten van EUR 200 heeft uitgegeven door deze biljetten aan [betrokkene 1] te geven."

3.2.2. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten het volgende overwogen:

"Bewezenverklaring feit 4 subsidiair

Op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte dat hij twee briefjes vals geld aan [betrokkene 1] heeft gegeven, waarbij hij heeft gezegd dat het vals geld was;

- de verklaring van [betrokkene 1] dat verdachte in mei 2008 naar de camping is gekomen en haar twee briefjes vals geld van EUR 200,- heeft gegeven;

- een tapgesprek van 19 mei 2008 te 11:47 uur waarin verdachte tegen [betrokkene 1] zegt dat hij naar de camping komt;

- het feit dat [betrokkene 1] de twee valse biljetten van EUR 200,- aan een derde heeft gegeven, onder wie ze door de politie vervolgens in beslag worden genomen;

- de bevinding dat de twee inbeslaggenomen bankbiljetten van EUR 200,- vals zijn;

acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan (...)."

3.3. Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het wettelijk stelsel moet aldus worden begrepen dat de motivering van de bewezenverklaring - behoudens indien sprake is van een bekennende verdachte - op zijn minst dient te bestaan uit de weergave in het vonnis van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring. De werkwijze om de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te vermelden in een bewijsredenering waarbij wordt volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend en waarbij de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met het motiveringsvoorschrift van art. 359, derde lid, Sv (vgl. HR 20 april 2010, LJN BL5628, NJ 2010/248).

3.5. Blijkens 's Hofs bewijsmotivering heeft het Hof niet volstaan met een 'opgave van de bewijsmiddelen', zoals bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, maar betreft 's Hofs bewijsmotivering een bewijsvoering zoals hiervoor onder 3.4 is bedoeld. Nu het Hof echter niet heeft vastgesteld dat de verdachte het feit in het arrondissement Roermond heeft gepleegd, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 11 januari 2011.