Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO4453

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/02587
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO4453
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Door het aanhoudingsverzoek - onder verwijzing naar het landelijke aanhoudingenprotocol - af te wijzen op de grond dat het een overzichtelijke kantonzaak betreft en de raadsman voor vervanging dient te zorgen wanneer hij voorziet dat hij niet t.t.z. kan verschijnen heeft het Hof, in het licht van hetgeen door de raadsman aan het verzoek ten grondslag is gelegd, zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 38
Wetboek van Strafvordering 278
Wetboek van Strafvordering 280
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/294
NJB 2011, 473
NJ 2011/142 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 2011

Strafkamer

nr. 09/02587

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 maart 2009, nummer 22/004231-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De raadman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van een verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 maart 2009.

(ii) een faxbericht van 18 februari 2009 van mr. J.J.O. Zandt aan het Hof, inhoudende :

"Tot mij wendde zich [verdachte] met het verzoek hem bij te staan in bovengenoemde kwestie. Hierbij stel ik mij formeel als zijn advocaat en verzoek ik u mij afschriften van alle stukken in het dossier te doen toekomen.

Cliënt ontving laatst bijgevoegde appèldagvaarding voor de zitting van 24 maart 2009. Helaas ben ik dan juist verhinderd wegens een korte vakantie. Cliënt wil echter perse dat ik, en niemand anders, hem hierin bijsta. Om die reden verzoek ik u de zitting tot nadere datum aan te houden."

(iii) een brief van 3 maart 2009 van een administratief medewerker van het Hof aan mr. J.J.O. Zandt, inhoudende voor zover hier van belang:

"Namens de voorzitter van het gerechtshof kan ik u mededelen dat uw aanhoudingsverzoek inzake [verdachte] waarvan de behandeling van het hoger beroep gepland staat op 24 maart 2009 te 09:30 uur afgewezen is."

(iv) een brief van 3 maart 2009 van mr. J.J.O. Zandt aan het Hof, onder meer inhoudende:

"Vandaag ontving ik het bericht dat mijn verzoek tot aanhouding tot mijn verbazing is afgewezen! Telefonische navraag leerde mij dat u die beslissing zou hebben genomen en dat de motivering ervan zou zijn dat cliënt maar een andere advocaat moet inhuren of dat ik toch zelf moet komen. Ik weet niet of uw motivering daarmee juist is verwoord, maar ik verzoek u in ieder geval die beslissing te herzien.

Op grond van artikel 38(1) Sv., artikel 6(3c) EVRM & artikel 14(3d) IVBPR heeft een verdachte zoals [verdachte] het recht zich bij zijn verdediging te laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze. [Verdachte] heeft mij gekozen als zijn raadsman, en direct nadat hij de appèldagvaarding ontving (wegens zijn vakantie was dat 16 februari 2009) heeft hij mij van de zittingsdatum op de hoogte gesteld. Direct daarna, namelijk 18 februari 2009, heb ik u geïnformeerd dat ik 24 maart 2009 zelf met vakantie ben, met het verzoek om die reden de zitting aan te houden.

Zowel mijn cliënt als ikzelf heb met de grootst mogelijke voortvarendheid het gerechtshof over die verhindering geïnformeerd. Bovendien kan in redelijkheid van mij niet worden verlangd dat ik een reeds geboekte vakantie om deze reden annuleer. Aangezien ik de enige advocaat van ons kantoor ben die zich bezighoudt met strafrecht is vervanging binnen kantoor niet mogelijk, nog daargelaten dat cliënt niet wil dat ik word vervangen: hij heeft bewust voor mij gekozen. Mijn reeds geplande vakantie is dus overmacht die niet aan cliënt kan worden toegerekend als in zijn risicosfeer te zijn gelegen.

Als de zitting niet wordt aangehouden, wordt cliënt dus de facto belemmerd in zijn recht om zich te laten bijstaan door de advocaat van zijn keuze. In dat geval zal ik om die reden cassatie instellen tegen uw mogelijke arrest, een cassatieberoep dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gegrond zal worden verklaard.

Zowel cliënt als de Hoge Raad zijn niet gebaat bij dergelijke complicaties. Daarom verzoek ik u beleefd uw beslissing te herzien op basis van de nadere toelichting die ik u hierbij heb verschaft."

(v) een faxbericht van 11 maart 2009 van de voorzitter van het Hof aan mr. J.J.O. Zandt, inhoudende:

"In antwoord op uw brief van 3 maart 2009 deel ik u mee dat uw verzoek om aanhouding niet gehonoreerd zal worden, nu het een overzichtelijke kantonzaak betreft. Deze beslissing strookt met het landelijke aanhoudingenprotocol, waaruit ik hier het volgende overneem.

Wanneer een raadsman voorziet dat hij niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn, dient hij voor vervanging te zorgen. Dit geldt ook voor raadslieden met een eenmanskantoor. Een en ander ligt alleen anders als het een gecompliceerde zaak betreft of wanneer de raadsman een specifieke, in deze zaak benodigde deskundigheid bezit."

(vi) een faxbericht van 11 maart 2009 van mr. J.J.O. Zandt aan de voorzitter van het Hof, inhoudende onder meer:

"Dank voor uw faxbericht van hedenmiddag met verwijzing naar het Landelijk Aanhoudingenprotocol, waarmee ik overigens niet bekend was. (...) Hoewel ik primair van mening ben dat onverkorte letterlijke toepassing van dat protocol in casu leidt tot strijdigheid met Europese en nationale regelgeving, ben ik subsidiair van mening dat ook op grond van dat protocol een aanhouding zou moeten worden verleend.

Immers het is mij simpelweg onmogelijk om voor vervanging te zorgen. Ik zou niet weten aan wie ik de zaak moet overdragen, nog daargelaten dat de overeenkomst van opdracht tussen ons kantoor en de cliënt is aangegaan mij belet om de zaak extern uit handen te geven.

(...)

Bovendien valt nog maar te bezien of deze kantonzaak inderdaad zo overzichtelijk is. In ieder geval staat er voor cliënt een aanzienlijk belang (namelijk zijn baan) op het spel en is voor de behandeling specifieke deskundigheid vereist, te weten op het gebied van verkeersstrafrecht. Zoals gezegd weet ik niemand met die deskundigheid aan wie ik de zaak zou kunnen overdragen. Ook was ten tijde van het accepteren van de zaak deze verhindering nog niet bekend en is de zittingsdatum zonder overleg met mij bepaald.

(...) Ik verzoek u dringend uw beslissing alsnog te herzien op grond van de hierboven aanvullend gegeven argumentatie. Ongeacht uw beslissing deel ik u nu reeds mede dat noch ik noch mijn cliënt aanwezig zal zijn op de zitting van 24 maart 2009."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2009 houdt het volgende in:

"De verdachte (...) is niet ter terechtzitting verschenen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter deelt mede dat door de raadsman van de verdachte mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, per faxberichten d.d. 18 februari 2009 en 3 maart 2009 om aanhouding van de behandeling van de zaak in hoger beroep is verzocht. Het hof heeft schriftelijk op 11 maart 2009 aan de raadsman medegedeeld dat het verzoek niet zal worden gehonoreerd op grond van het landelijke aanhoudingenprotocol, nu het een overzichtelijke kantonzaak betreft en een raadsman voor vervanging dient te zorgen wanneer hij voorziet dat hij niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen.

De advocaat-generaal concludeert tot afwijzing van het verzoek om aanhouding.

Het hof wijst het verzoek af op de in de brief van 11 maart 2009 vermelde gronden."

2.4. Het Hof heeft het verzoek om aanhouding van de behandeling, onder verwijzing naar het "landelijke aanhoudingenprotocol" (waarmee kennelijk is bedoeld het door het Landelijk Overleg Voorzitters van Strafsectoren vastgestelde, zogenoemde aanhoudingenprotocol) afgewezen op de grond dat "het een overzichtelijke kantonzaak betreft en een raadsman voor vervanging dient te zorgen wanneer hij voorziet dat hij niet ter terechtzitting kan verschijnen".

In het licht van hetgeen door de raadsman aan het - tijdig gedane - verzoek ten grondslag is gelegd, is de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd. In de motivering van het verzoek heeft de raadsman in de eerste plaats tot uitdrukking gebracht dat de verdachte zich overeenkomstig het hem in art. 6, derde lid onder c, EVRM toegekende recht op bijstand van een advocaat van zijn keuze, door mr. Zandt wilde doen bijstaan. Voorts is in het verzoek gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de raadsman zich niet kon laten vervangen. Het Hof had die omstandigheden bij de motivering van zijn beslissing dienen te betrekken en kon daarom niet volstaan met de enkele door hem genoemde en aan het "landelijke aanhoudingenprotocol" ontleende gronden.

2.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, W.F. Groos en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 februari 2011.