Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO4064

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
09/02439
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO4064
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AE9649 en uit

HR LJN AD5163. ’s Hofs opvatting dat de nietigheid van de dagvaarding wordt gedekt ingeval verdachte via zijn rm op de hoogte is gesteld van de tz is onjuist. HR verklaart de inleidende dagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 588
Wetboek van Strafvordering 590
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/474
NJB 2011, 864
NJ 2011/395 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2011/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2011

Strafkamer

nr. S 09/02439

KM/IM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 mei 2009, nummer 22/000964-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof aan de onjuiste betekening van de inleidende dagvaarding ten onrechte geen consequenties heeft verbonden.

2.2. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter van 10 december 2008:

"De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte,

[verdachte],

(...)

is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage. De raadsman verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De raadsman voert het woord tot verdediging en stelt dat de uitreiking van de dagvaarding niet geldig is. Hij voert hiertoe aan - zakelijk weergegeven -:

Cliënt is na 2005 (toen hij was uitgezet) teruggekeerd en heeft een tijd vast gezeten voor een strafbaar feit. Hij is eerder dit jaar (2008) vrijgekomen. Begin november 2008 is cliënt in vreemdelingenbewaring gesteld en op 19 november 2008 is hij uitgezet naar Marokko.

Cliënt is door mij op de hoogte gesteld van de zitting van vandaag. Ik stel mij op het standpunt dat de dagvaarding niet juist is betekend.

De politierechter stelt vast, dat de dagvaarding voor de zitting van heden op 30 juli 2008 in ontvangst is genomen door de vader van verdachte op diens woonadres. Verdachte stond daar echter niet ingeschreven. Blijkens het bijgevoegde GBA-overzicht staat hij sinds 2 februari 2005 geregistreerd als 'vertrokken naar Marokko'. Uitreiking had dus aan de griffier van de rechtbank plaats moeten vinden. Aangezien verdachte via zijn raadsman op de hoogte is geraakt van de datum van de zitting, acht de politierechter geen termen aanwezig om aan de onjuiste wijze van betekening consequenties te verbinden."

(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep:

"De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

(...)

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.

(...)

De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven -:

Zoals ik in eerste aanleg ook heb aangevoerd ben ik van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg niet correct is betekend, omdat de dagvaarding - nu de verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats was - aan de griffier had moeten worden opgelegd. Desgevraagd zeg ik u dat ik mijn cliënt wel op de hoogte heb gebracht van de datum en het tijdstip van de zitting."

(iii) het bestreden arrest:

"Geldigheid dagvaarding eerste aanleg

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding in eerste aanleg niet correct is betekend, omdat de dagvaarding - nu de verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland was - aan de griffier had moeten worden opgelegd. Desgevraagd heeft de raadsman aangegeven dat hij zijn cliënt wel op de hoogte had gebracht van het tijdstip van de zitting.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg weliswaar onjuist is betekend, maar dat hieraan geen consequenties dienen te worden verbonden, nu de verdachte via zijn raadsman op de hoogte is gesteld van datum en tijdstip van de zitting, hetgeen ook de ratio is van de voorschriften betreffende de wijze van betekenen."

2.3. Vooropgesteld moet worden dat de betekeningsvoorschriften strekken tot bescherming van het belang dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een verdachte buiten zijn schuld onbekend blijft met het feit dat een tegen hem lopende strafzaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, dientengevolge niet verschijnt en daardoor in zijn verdediging kan worden benadeeld. De nietigheid van de dagvaarding wegens een betekeningsgebrek wordt niet gedekt doordat ter terechtzitting een op de voet van art. 279 Sv tot de verdediging gemachtigde raadsman is verschenen (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AE9649, NJ 2003/390, rov. 3.5.1 en 3.5.5).

Niet-naleving van de betekeningsvoorschriften leidt in de regel tot nietigverklaring van de dagvaarding, ook al volgt dat niet dwingend uit art. 590 Sv. Nietigverklaring blijft evenwel achterwege indien de verdachte ondanks het betekeningsgebrek ter terechtzitting is verschenen. Dit geldt eveneens indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over het betekeningsgebrek (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.5 en 3.26).

2.4. Onjuist is de aan de verwerping van het gevoerde verweer ten grondslag liggende opvatting van het Hof dat de nietigheid van de dagvaarding wordt gedekt ingeval de verdachte via zijn raadsman op de hoogte is gesteld van de terechtzitting. Gelet hierop en op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is de verwerping van het beroep op de nietigheid van de inleidende dagvaarding niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de inleidende dagvaarding nietig verklaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd;

verklaart de dagvaarding voor de terechtzitting van de Politierechter van 10 december 2008 nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 maart 2011.