Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO4022

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
09/01577
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO4022
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2009:BH9411, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bewijsklacht bedreiging met zware mishandeling. 2. Art. 27.1 Sr. Ad 1. HR herhaalt eisen t.a.v. bedreiging met zware mishandeling uit HR LJN AT3659. Het Hof heeft kunnen oordelen dat de door de verdachte telefonisch gedane uitlatingen in hun context bezien bedreiging met zware mishandeling opleveren. Ad 2. Het Hof heeft art. 27.1 Sr niet in acht genomen nu het heeft verzuimd dat de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf. HR doet wat het Hof had behoren te doen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/228
NJB 2011, 366
NJ 2011/226 met annotatie van N. Keijzer
NBSTRAF 2011/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 januari 2011

Strafkamer

nr. 09/01577

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 februari 2009, nummer 23/004822-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit 's Hofs bewijsvoering niet zonder meer kan volgen dat de verdachte W. Bos heeft bedreigd met zware mishandeling.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 2 oktober 2006 in Nederland W. Bos (fractievoorzitter van de PvdA) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft de verdachte opzettelijk dreigend telefonisch tegen [betrokkene 1], werkzaam op de redactie van het televisieprogramma "De wereld draait door", gezegd dat wanneer Bos hem, verdachte, niet zou bellen hij, verdachte, die Bos wat zou aandoen en dat hij, verdachte, familie van Osama was, althans woorden van gelijke aard of strekking."

3.2.2. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof - met inbegrip van hier niet opgenomen voetnoten - het volgende overwogen:

"Vaststaande feiten

Op 2 oktober 2006 vond een televisie-uitzending plaats van het Vara-programma "De wereld draait door", dat werd uitgezonden vanaf de locatie "Studio Plantage" in Amsterdam. Die avond waren Wouter Bos (destijds kandidaat fractievoorzitter in de Tweede kamer voor de Partij van de Arbeid en hierna te noemen: Bos) en P. Radhakishun gespreksdeelnemers in het programma. Op een vraag van C. de Breij, gespreksleidster, antwoordde Bos dat hij Radhakishun "genetisch" niet geschikt vond als minister. Vervolgens kwam op de redactie van het programma - op de locatie van waaruit het programma live werd uitgezonden - een telefoongesprek binnen van de verdachte. Het telefoongesprek werd beantwoord door de medewerkster van het programma [betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1]). Naar aanleiding van het telefoongesprek heeft [betrokkene 1] op 4 oktober 2006 aangifte ter zake van bedreiging gedaan. [Betrokkene 1] heeft in haar aangifte als volgt verklaard:

"Op 2 oktober 2006 te 20.00 uur, werd in het gebouw Plantage Studio, Plantage Kerklaan 36 te Amsterdam de bedreiging gepleegd. Ik ben werkzaam op de redactie van het televisieprogramma "De wereld draait door". Op 2 oktober 2006 in de avond zaten de politicus Wouter Bos van de Partij van de Arbeid en Prem Radhakishun in de uitzending. Omstreeks 20.00 uur ging op de redactie de telefoon. Nadat ik de telefoon opnam, sprak een man die zich meldde met de naam: [verdachte]. In eerste instantie sprak hij rustig maar daarna werd hij woedend. Hij eiste een verklaring van Wouter Bos voor de uitspraak van Bos dat het genetisch niet was bepaald dat Radhakishun minister kon worden. Hij zei dat Bos hem moest bellen. In het gesprek gaf hij zijn telefoonnummer op. De man sprak vervolgens bedreigend. Hij zei namelijk dat hij, wanneer Wouter Bos hem niet terug zou bellen, hem wat zou aandoen. Daarna uitte de man zich ook dreigend naar mij. Er moest worden teruggebeld anders zou hij mij ook wat aandoen. Ik moest het regelen anders wist hij mij wel te vinden. Hij zei verder dat hij familie was van Osama Bin Laden. Ik gaf het door aan de productieleidster. Zij heeft het toen doorgegeven aan de politiemensen die Wouter Bos begeleidden".

Vervolgens is op 3 oktober 2006 door de daartoe schriftelijke gemachtigde [betrokkene 2], beveiligingsambtenaar van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, namens Bos aangifte gedaan ter zake van bedreiging.

[Betrokkene 1] heeft op 5 augustus 2008 tegenover de raadsheer-commissaris het volgende verklaard: "De opbeller (het hof begrijpt: de verdachte) zei mij dat hij het niet eens was met een uitlating van Wouter Bos. Deze persoon zei dat Wouter Bos in de uitzending zijn excuses moest maken en dat hij anders wel even naar de studio zou komen. Aanvankelijk was de opbeller rustig, maar in de loop van het telefoongesprek werd hij erg boos. Hij zei dat hij Wouter Bos en mij wel zou weten te vinden. Hij wist waar de studio was, begreep ik. Ik heb tegenover de recherche zeker de waarheid gesproken".

De verdachte heeft in zijn verhoor door de politie toegegeven dat hij tijdens het telefoongesprek tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij de broer van Osama was. Hij ontkent dat hij woorden heeft geuit van dreigende aard. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij geïrriteerd was over de uitspraak van Bos in het programma "De wereld draait door" en dat hij daarom heeft opgebeld."

3.2.3. Het Hof heeft in dit verband voorts nog overwogen:

"Gelet op de verklaringen van [betrokkene 1] tegenover de politie en de raadsheer-commissaris, de verklaring van Ganpat en de aangifte namens Bos, is komen vast te staan :

- dat de verdachte uit irritatie over de opmerking van Bos over de broer van de verdachte dat hij hem (die broer) genetisch niet geschikt vond om premier te worden, of een opmerking van die strekking, tijdens de uitzending heeft opgebeld naar de redactie van "De wereld draait door";

- dat de verdachte tijdens dat gesprek zeer boos is geworden en heeft geëist dat Bos hem zou terugbellen en dat, als hij, Bos, dat niet zou doen hij hem (Bos) en ook [betrokkene 1] wat zou aandoen;

- dat de verdachte in de loop van het telefoongesprek ook heeft gezegd dat hij een broer van Osama was.

In hun context leveren die gebeurtenis en woorden een bedreiging op met zware mishandeling. Genoemde bewoordingen zijn op zichzelf al bedreigend van aard maar die dreiging krijgt meer gewicht als het, zoals hier, gaat om een politicus die in het centrum van de belangstelling staat en die dikwijls in de openbaarheid optreedt en derhalve gemakkelijk te traceren is.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat het bewijs niet geleverd kan worden nu de getuigenverklaringen zich enkel baseren op de verklaring van [betrokkene 1] en dat die verklaringen niet consistent zijn.

Hetgeen het hof bewezen acht wordt ontleend aan verschillende bronnen, waaronder de verklaring van de verdachte zelf. Dat een deel van de bedreigende woorden alleen door [betrokkene 1] zijn gehoord en anderen die dus alleen aan haar mededeling kunnen hebben ontleend, maakt haar verklaring niet minder geloofwaardig. De gebruikte bewoordingen, zoals en voorzover bewezen, zijn kort na de uitzending in haar eigen aangifte en in de aangifte namens Bos opgenomen. [Betrokkene 1] heeft de inhoud van haar aangifte tegenover de raadsheer-commissaris (onder ede) uitdrukkelijk bevestigd."

3.3. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448).

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring omschreven uitlatingen van de verdachte, in hun context bezien, een bedreiging met zware mishandeling van W. Bos opleveren. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op 's Hofs bewijsvoering, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te bevelen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf.

4.2. De stukken van het geding houden in dat de verdachte op 2 oktober 2006 in verzekering is gesteld en dat hij op 5 oktober 2006 door de Rechter-Commissaris in bewaring is gesteld, welke bewaring op dezelfde dag is geschorst. Het Hof heeft evenwel nagelaten art. 27, eerste lid, Sr in acht te nemen wat deze inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis betreft. Het middel is dus gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd ter zake van de ondergane inverzekeringstelling art. 27, eerste lid, Sr toe te passen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf van dertig uren in mindering zal worden gebracht, in dier voege dat voor iedere dag twee uren zullen worden afgetrokken van het totaal aantal uren;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 januari 2011.