Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO4013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
09/01057
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO4013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde opzet kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 januari 2011

Strafkamer

nr. 09/01057

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 maart 2009, nummer 22/000047-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Weisfelt, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het opzet, mede gelet op hetgeen dienaangaande in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2003 tot en met 1 februari 2004, te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, onder andere [betrokkene 1], die werkzaam is als ambtenaar bij de afdeling Incasso van de directie Informatie Beheer Subsidieregelingen, Directoraat-Generaal Wonen van het Ministerie van VROM, meermalen, als ambtenaar, belast met enige openbare dienst, opzettelijk geld, dat hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd, en/of heeft toegelaten dat dat geld door één of meer van zijn verdachtes, mededader(s) werd verduisterd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar, meermalen telkens mutaties en/of aanpassingen en/of valse gegevens in het geautomatiseerde (huursubsidie) systeem van voornoemde afdeling aangebracht ten gevolge waarvan geldbedragen zijn overgeschreven en/of geboekt op rekeningen van personen die tot die geldbedragen niet gerechtigd waren; te weten:

- een bedrag van eur 2.009,34 gestort op rekeningnummer [001] op naam van [verdachte]

en

- een bedrag van eur 2.254,38 gestort op rekeningnummer [002] op naam van [betrokkene 2]

en

- een bedrag van eur 1.704,40 gestort op rekeningnummer [003] op naam van [betrokkene 3]

en

- een bedrag van eur 1.541,04 gestort op rekeningnummer [004] op naam van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5]

en

- een bedrag van eur 1.726,18 gestort op rekeningnummer [005] op naam van [betrokkene 6]

en

- een bedrag van eur 1.301,44 gestort op rekeningnummer [006] op naam van [betrokkene 7]

en

- een bedrag van eur 1.890,90 gestort op rekeningnummer [007] op naam van [betrokkene 8]

en

- een bedrag van eur 2.341,51 gestort op rekeningnummer [008] op naam van [betrokkene 9]

en

- een bedrag van eur 1.459,36 gestort op rekeningnummer [009] op naam van [betrokkene 10]"

en

"2.

hij, in de periode van 01 januari 2002 tot en met 01 maart 2004, te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen een of meer gegevens in het geautomatiseerde huursubsidiesysteem van het Ministerie van VROM - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een of meer anderen te doen gebruiken, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s), telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid in het geautomatiseerde huursubsidiesysteem van het Ministerie van VROM één of meer wijzigingen aangebracht te weten een ander adres dan het adres van de oorspronkelijke rechthebbende en/of een ander bankrekeningnummer dan het bankrekeningnummer van de oorspronkelijke rechthebbende".

2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik ken [betrokkene 1]. Hij werkt bij het ministerie van VROM. U vraagt mij waarom ik mijn eigen rekeningnummer ter beschikking heb gesteld aan [betrokkene 1]. [betrokkene 1] was geld schuldig aan zijn zwager. Hij vroeg mij of hij daarom geld mocht storten op mijn rekening, welk geld ik vervolgens moest doorstorten naar zijn zwager. Ik heb daar in toegestemd en het volledige bedrag doorgestort. Naderhand heb ik gezien dat het geld dat [betrokkene 1] op mijn rekening heeft gestort niet van zijn eigen rekening afkomstig was. Ik heb het lijstje met de namen en rekeningnummers van mensen die subsidie wilden aan [betrokkene 1] gegeven. Het gaat daarbij om de namen die in de tenlastelegging worden genoemd."

b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik word [verdachte] genoemd."

c. een proces-verbaal van de VROM-IOD, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"[betrokkene 1] is werkzaam bij de afdeling Incasso van de Directie Informatie Beheer Subsidieregelingen, Directoraat-Generaal Wonen van het Ministerie van VROM."

d. een proces-verbaal van de VROM-IOD, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Het afschrift dat u mij toont van bankrekeningnummer [001], betalingsafschrift 13, herken ik als een afschrift van mijn rekening. Ik zie dat daar een storting aan [betrokkene 8] op staat ter grootte van € 2.009,34. Ik heb dit bedrag op die rekening gestort op verzoek van [betrokkene 1]. Ik zag dat de storting door [betrokkene 1] van het VROM kwam. Ik heb [betrokkene 1] over deze storting verder niet gevraagd."

e. een proces-verbaal van de VROM-IOD, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"In mei 2003 ben ik teruggekomen bij VROM. Ik wist dat het mogelijk was om in het databestand huursubsidie betalingen te doen en ik besloot om geld te gaan wegsluizen. Omdat het geld eerder op de rekening komt dan dat men een afschrift ontvangt, zorgde ik ervoor dat ik kort na de storting van het geld bij de mensen kwam om het geld op te halen. Ik heb [betrokkene 11] benaderd en hij heeft gegevens verzameld die ik kon gebruiken voor mijn betalingen. Ik denk dat ik 25 of 30 betalingen via de gegevens van [betrokkene 11] heb gedaan. U vraagt mij naar [verdachte]. Ik heb [verdachte] in de laatste maanden van 2003 benaderd voor gegevens van rekeningnummers. Ik heb van hem een lijstje gekregen met ik geloof zes namen. De gegevens die op dat lijstje staan heb ik al gebruikt voor betalingen."

f. een proces-verbaal van de VROM-IOD, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik begrijp dat ik met mijn handelingen, waaronder ik versta het aanpassen van het datasysteem, huursubsidiegeld heb weggenomen van VROM. Ik kon deze systemen aanpassen als ambtenaar van VROM en uit hoofde van mijn functie. Ik heb het initiatief genomen om deze diefstal te plegen. Ik heb het initiatief genomen om mensen te benaderen om te zorgen dat ik gegevens kreeg waarmee ik deze diefstal kon plegen."

g. een proces-verbaal van de VROM-IOD, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik heb twee personen benaderd, te weten [verdachte] en [betrokkene 11] om voor mij nieuwe rekeninghouders te zoeken. Ik heb tegen zowel [betrokkene 11] als [verdachte] gezegd dat de rekeninghouder € 200,- mocht houden. Ik heb met [verdachte] afgesproken dat we fifty-fifty zouden doen. Dus als er € 1.200,- werd overgemaakt ging er € 200,- naar de rekeninghouder en kregen [verdachte] en ik dus ieder € 500,-."

h. een proces-verbaal van de VROM-IOD, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"[verdachte] had mij benaderd met een verzoek of ik een vriend van hem, ene [betrokkene 1], kon helpen. Ik moest dan mijn bankrekeningnummer geven waarop geld gestort kon worden. Er is een bedrag van 1500 euro op mijn rekening gestort. Ik heb toen een aantal keren gepind om het geld eraf te halen. [verdachte] is het geld komen ophalen in Nieuwegein."

i. een proces-verbaal van de VROM-IOD, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik ben in oktober 2003 door [verdachte] benaderd met de vraag of ik hem kon helpen. In het gesprek is de naam [betrokkene 1] wel gevallen, maar voor mijn gevoel heb ik [verdachte] geholpen. Ik moest dan mijn bankrekening ter beschikking stellen waarop geld gestort kon worden. Ik heb zowel mijn banknummer als het postbanknummer van mijn zus doorgegeven aan [verdachte]. Ik kreeg een paar weken later van mijn zus een brief. Ik heb deze brief, die van VROM kwam, aan [verdachte] gegeven. [verdachte] heeft mij benaderd dat het geld binnen was. Ik ben toen samen met [verdachte] naar de bank gegaan en ik heb het bedrag van € 1.250,- gepind. Ik heb het hele bedrag aan [verdachte] gegeven. Mijn zus heeft ook geld gepind en aan [verdachte] gegeven."

j. een aantal geschriften:

"zijnde bankafschriften op naam van [verdachte] (afschrift B. 4.3.085), [betrokkene 2] (afschrift B. 4.6.102), [betrokkene 3] (afschrift B. 4.6.105 en B. 4.6.106), [betrokkene 4] (afschrift B. 4.6.110), [betrokkene 6] (afschrift B. 4.6.113 & 114), S. Jokhoe (afschrift B. 4.6.118), [betrokkene 8] (afschrift B. 4.6.122), [betrokkene 9] (afschrift B. 4.6.126) en [betrokkene 10] (afschrift B. 4.6.130), welke als bijlagen zijn gevoegd bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 1120, van de VROM-IOD van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag en waarvan kopieën als bijlagen 1 tot en met 9 aan deze bewijsmiddelenbijlage is gehecht. De inhoud hiervan dient als hier ingelast te worden beschouwd."

k. een geschrift:

"zijnde kladaantekeningen met namen en rekeningnummers, inbeslaggenomen d.d. 3 maart 2004 tijdens de doorzoeking van [a-straat 1] te Zoetermeer en waarvan een kopie als bijlage 10 aan deze bewijsmiddelenbijlage is gehecht. De inhoud hiervan dient als hier ingelast te worden beschouwd."

2.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2009 gehechte pleitnotities heeft de raadsman aldaar namens de verdachte het volgende aangevoerd:

"Vrijspraak

Voor zowel het medeplegen als de medeplichtigheid is dubbele opzet vereist en daaraan heeft het verdachte ontbroken. Cliënt heeft opzettelijk de gegevens van Orie aan [betrokkene 1] verschaft en hij heeft ook opzettelijk toegestaan dat [betrokkene 1] zijn bankrekening gebruikte om huursubsidie (eenmalig) op te laten storten. Daarmee heeft hij echter nog niet de opzet gehad om geld van VROM of een ander staatsorgaan te verduisteren. Cliënt verkeerde in de overtuiging dat [betrokkene 1] een manier gevonden had om, tegen betaling, voor anderen succesvol huursubsidie aan te vragen terwijl die anderen dachten daar geen recht op te hebben. Dat is geen verduistering. Om bewezen te verklaren dat cliënt schuldig is aan de deelname aan verduistering - in welke variant dan ook - moet bewezen zijn dat hij opzet had op de verduistering. Opzet op het toespelen van gegevens aan [betrokkene 1] zodat die op slimme - maar legale - wijze huursubsidie aan kon vragen is niet strafbaar.

Uit het feit dat cliënt direct geld vanuit VROM op zijn rekening over liet maken blijkt temeer dat hij zich niet bewust was van enig verwijtbaar handelen.

Voor enige betrokkenheid bij de aanpassingen in het systeem van VROM is geen enkele aanwijzing in het dossier terug te vinden. Cliënt heeft geen kennis van de werking van het systeem en heeft er nooit toegang tot gehad. Dat [betrokkene 1] bij machte was veranderingen aan te brengen was hem niet bekend. Laat staan dat hij hulp heeft verleend bij die handelingen."

2.5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het onder 1 bewezenverklaarde opzet van de verdachte niet zonder meer worden afgeleid. Ook wat het onder 2 bewezenverklaarde betreft kan het opzet van de verdachte niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen. Het Hof had zijn oordeel dat de verdachte telkens met het vereiste opzet heeft gehandeld - mede in het licht van hetgeen door de verdediging in dat opzicht is aangevoerd - nader dienen te motiveren.

De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd.

2.6. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 januari 2011.