Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO3975

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
09/00135
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO3975
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 januari 2011

Strafkamer

nr. 09/00135

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 december 2008, nummer 22/000649-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de ten aanzien van het onder 3 en 4 primair tenlastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 3 en 4 bewezenverklaard dat:

"3. hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 27 februari 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 168 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 27 februari 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid stroom toebehorende aan Eneco Netbeheer BV."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik heb de woning aan de [a-straat 1] gehuurd. [betrokkene 1] en zijn vrouw gingen er wonen. Ik ken [betrokkene 1] via [betrokkene 2]. [betrokkene 1] heeft mij € 1.000,00 betaald toen hij er ging wonen. Ook heb ik een contract met Eneco gesloten."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Begin februari 2007 werd mij bekend dat schilders hadden gezien dat er aluminium slangen aanwezig waren in perceel [a-straat 1] te Den Haag. Daardoor ontstond het vermoeden dat er een hennepkwekerij zou zitten in dit perceel.

Vervolgens heb ik samen met een medewerker van Eneco een nader onderzoek ingesteld. Op 19 februari 2007 waren wij daar ter plaatse. Middels een warmtecamera werd bij de binnenmuur een grote warmtebron waargenomen. Daarnaast werd aan de buitenzijde bij het balkon eveneens een grote warmtebron waargenomen. Een onbekend gebleven buurtbewoner verklaarde dat af en toe twee personen met Zuid-europees uiterlijk een half uurtje binnen waren."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 27 februari 2007 werd ik belast met de ontmanteling van een in werking zijnde hennepkwekerij. Deze kwekerij werd aangetroffen op de [a-straat 1] te Den Haag. In totaal werden er 168 hennepplanten aangetroffen. Deze planten hadden een hoogte van ongeveer 25 centimeter. Alle hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem, komende vanaf een waterbak, voorzien van vloeistof."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 27 februari 2007 werd op de [a-straat 1] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

- 168 hennepplanten."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 1 maart 2007 hebben wij een gedeelte van de op 27 februari 2007 in perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage in beslag genomen partij hennep onderzocht. Het betrof hier de vrouwelijke hennepplanten. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en strafbaar gesteld in artikel 3 van de Opiumwet."

f. een rapportage diefstal energie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik doe aangifte van diefstal van elektriciteit in het pand aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Op 27 februari 2007 was ik aanwezig in genoemd pand. Ik zag dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Ik zag dat er twee hoofdzekeringen van 35 ampère waren bijgeplaatst. Ik zag dat er aan de hoofdzekeringen een vieraderige elektriciteitskabel was bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel was aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze elektriciteitskabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Bij het volgen van de elektriciteitskabel zag ik dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien. Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een laag stof zaten, wat er op duidt dat deze al een langere tijd aanwezig waren. Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters was door het gebruik in de hennepkwekerij dermate vervuild dat de filters minimaal 2 a 3 hennepoogsten in werking zijn geweest. De koolstoffilter was matig vervuild en uit het feit dat onder de banden waaraan deze waren opgehangen geen vervuiling is aangetroffen blijkt dat de vervuiling ter plaatse is ontstaan. Ik zag dat de afvoergoten voorzien waren van een kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerij. Toen ik in het watervat keek dat diende voor de watertoevoer bestemd voor de hennepkwekerij zag ik dat de zijkant voorzien was van kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerij. Het energiecontract voor genoemd pand is afgesloten op naam van [verdachte]."

g. een door de verdachte ondertekende huurovereenkomst van 28 augustus 2006, voor zover inhoudende:

"Verhuurder en [verdachte], hierna te noemen huurder zijn overeengekomen dat huurder de woonruimte [a-straat 1] te Den Haag huurt van verhuurder vanaf 1 september 2006."

2.2.3. Het Hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

"De raadsman heeft ter zake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde aangevoerd dat de verdachte het pand aan de [a-straat] slechts gehuurd heeft en de overeenkomst met Eneco slechts is aangegaan voor een ander. Het hof gaat aan deze stellingen reeds voorbij nu deze in genen dele aannemelijk zijn geworden."

2.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen. De bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 januari 2011.